Martha Gellhorn (1908-1998) is zonder twijfel de bekendste vrouwelijke oorlogscorrespondent van de 20e eeuw. Weinig journalisten zagen zoveel oorlog als Gellhorn, en weinig journalisten brachten die oorlogen zo dicht bij het thuisfront. In haar reportages voor onder meer Colliers Weekly, The Guardian en The Atlantic richtte de Amerikaanse correspondent haar blik niet zozeer op heroïsche verhalen van legerleiders en politici, maar schreef ze kritisch en vooral sociaal bewogen over de invloed van de oorlog op gewone burgers en soldaten. De klassieker Het gezicht van de oorlog bevat reportages uit onder andere de Spaanse Burgeroorlog, de Fins-Russische oorlog, China, de Tweede Wereldoorlog en – opmerkelijk – de dekolonisatieoorlog in Nederlands-Indië.
Martha Gellhorn was van Joodse komaf en bleef haar hele leven toegewijd aan haar linkse standpunten. Gellhorn was tevens een aanhangster van de staat Israël. Na 1949 bezocht ze Israël regelmatig en later overwoog ze ook om daarheen te verhuizen. Ze bekritiseerde het fascisme, het anticommunisme, racisme, en ook rechtse leiders als Richard Nixon en Ronald Reagan. Ze was van mening dat het ideaal van de journalistieke objectiviteit ‘nonsens’ was en ze gebruikte de journalistiek dan ook volop om haar politieke voorkeuren te uiten.
Overigens waren haar verwachtingen omtrent de effecten van haar werk niet erg hoog gespannen: ‘Onze artikelen mochten nog zoveel goed doen, in feite was het alsof ze met onzichtbare inkt geschreven waren, gedrukt op bladeren, een prooi van de wind’. (blz. 20).
Vertrekpunten
Van Het gezicht van de oorlog, oorspronkelijk uit 1959, bestaan verschillende en ook meer of minder uitgebreide versies. Zo is de nu voorliggende editie van 2025, ingeleid door Geert Mak, een verkorte uitvoering van bijvoorbeeld de versie uit 1988. Die bevat namelijk ook latere en zeker ook relevante bijdragen van Gellhorn over de oorlog in Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, en de oorlogen en revoluties in Midden-Amerika in de jaren 80. Waarom deze teksten nu zijn weggelaten wordt niet verantwoord.
Gellhorns stijl is, misschien verrassend na een kleine eeuw, niet gedateerd. Enerzijds komt dat door haar observerende manier van rapporteren, anderzijds hebben de vertalers de oorspronkelijke teksten op een aantal punten ook herzien en geactualiseerd (blz. 303).
Haar uitgangspunten en zienswijze verwoordde ze treffend als volgt: ‘Na een leven lang oorlogen beschouwd te hebben, zie ik oorlogen als een aangeboren ziekte van de mens, en regeringen zijn de dragers ervan. (…) Nooit hoor je dat horden burgers uit zichzelf te hoop lopen en hun regeringen smeken om oorlog. Ze moeten besmet worden met haat en angst voordat ze oorlogskoorts krijgen’. (blz. 15).
Fragmenten
Gellhorn was kort na de bevrijding van Dachau in het kamp. Haar beschrijvingen zijn beeldend en, zeker voor die tijd maar eigenlijk ook nu nog, niet te bevatten en ten hemel schreiend, zelfs voor kenners van WOII. ‘Achter het prikkeldraad en de omheining onder stroom zaten de skeletten en controleerden zichzelf op luizen. Leeftijd en gezicht hebben ze niet; ze zien er allemaal hetzelfde uit en lijken in niets op wat je ooit zult zien als je geluk hebt.’ (blz. 245).
Heel kenmerkend voor de stijl van Gellhorn is het hoofdstuk 'Een klein Nederlandse stadje', dat handelt over het Nijmegen van kort na de Duitse capitulatie. Door middel van de beschrijving van een gewond, stil meisje in een plaatselijk ziekenhuis brengt ze de menselijke maat terug in de haast fotografische beschrijving van de voor het overige vooral beschadigde en ontredderde stad. En dat is niet de enige keer in dit boek.
Gellhorn heeft ook geschreven over de Bersiaptijd (het machtsvacuüm na de Japanse capitulatie in augustus 1945) in voormalig Nederlands-Indië. Ze doet dat opvallend genuanceerd. Zo trekt ze een parallel – en niet helemaal ten onrechte – tussen de mensonterende behandeling van de Indonesische dwangarbeiders (romusha’s) door de Japanners en het lot van de concentratiekampslachtoffers in Dachau (blz. 265). Terecht staat ze ook stil bij de uitermate dubieuze rol die de Indonesische leider ir. Soekarno zélf heeft gespeeld in de kwestie van deze romusha’s. ‘Wat het zo pijnlijk maakt is dat dit lijden plaatsvond onder auspiciën van Soekarno zelf…’ (blz. 269). Opmerkelijk genoeg laat Gellhorn in dit hoofdstuk nauwelijks iets van haar eigen opvattingen doorklinken: ‘Voor geen van beide kanten is er in dit conflict veel eer te behalen’, zo concludeert ze voor haar doen tamelijk neutraal (blz. 263).
Ten slotte
Martha Gellhorn maakte in 1998 in Londen zelf een einde aan haar leven. We kunnen alleen maar kunnen speculeren hoe ze geschreven zou hebben over de tijd en de conflicten daarna. Er is daarbij niet veel verbeeldingskracht nodig je voor te stellen hoe haar oordeel over presidenten als Poetin, Xi en vooral Trump zou luiden. Het is zelfs goed denkbaar dat ze rond de oorlog tussen Israël en Hamas haar traditioneel-positieve opvattingen over de staat Israël zou hebben herzien en de kant van de Palestijnen zou hebben gekozen. Maar als gezegd, dat is speculeren en daarmee doe je afbreuk aan het monumentale 20e-eeuwse tijdsbeeld dat Gellhorn schetst in Het gezicht van de oorlog. Overigens, wie een meer uitgebreide editie kan vinden dan deze versie van 2025, doet er verstandig aan juist die te lezen. Immers, hoe relevant de nu voorliggende bijdragen ook zijn, haar verslagen uit bijvoorbeeld Vietnam en het Midden-Oosten voegen daaraan wel degelijk iets toe.
Drs. Jan Schoeman
Het gezicht van de oorlog
Door Martha Gellhorn
Amsterdam/Antwerpen (Uitgeverij Atlas Contact) 2025
304 blz. – ISBN 9789045052779