Zijn militairen zelf verantwoordelijk voor wat ze doen in de oorlog? Of zijn vooral machthebbers en militaire leiders verantwoordelijk, en heeft de persoonlijke verantwoordelijkheid van militairen niet zo’n belangrijke rol? Hebben militairen wel ruimte om invulling te geven aan eigen verantwoordelijkheid? En welke regels en verwachtingen bestaan er op dit punt? Zolang er sprake is van oorlog hebben deze vragen gespeeld. Door het Tribunaal van Neurenberg is er bij dit vraagstuk een nieuwe situatie ontstaan. Niemand, burger of militair, kan zich nog verschuilen achter een bevel van hogerhand bij ernstige misdrijven in oorlogssituaties.[1] Deze overtuiging staat nu naast principes die rechtsregels in oorlogssituaties benadrukken.
Het Tribunaal van Neurenberg, vlak na de Tweede Wereldoorlog, was bedoeld om de leiders van het naziregime te berechten. Daarvoor bood het bestaande internationale recht geen mogelijkheid. Bij het Tribunaal is toen teruggegrepen op een oud principe: iedereen blijft altijd persoonlijk verantwoordelijk. Niemand kan zich verschuilen achter een bevel of wet, of zeggen geen keus te hebben gehad.
Een punt dat bij Neurenberg en het internationale recht naar voren komt is het verschil tussen aansprakelijkheid (individuele verantwoordelijkheid) en persoonlijke verantwoordelijkheid.[2] Bij het eerste gaat het om de juridische toepassing, bij het tweede om de morele overtuiging van de betreffende persoon. Persoonlijke verantwoordelijkheid is dus veel breder en gaat veel verder dan aansprakelijkheid. In mijn proefschrift beschrijf ik hoe het ene niet zonder het andere kan bestaan. Het zijn twee kanten van een medaille: al kun je maar één kant zien, de andere kant is er ook altijd.[3] Wie oorlogsmisdaden wil berechten, moet zowel leiders als uitvoerenden in oorlogstijd als persoonlijk verantwoordelijk zien. Deze overtuiging kreeg de overhand in Neurenberg, is sindsdien uitgewerkt, is omstreden en wordt bestreden, en wordt als uitgangspunt gehandhaafd door het internationale recht.
Bij het Tribunaal en door het internationale recht is het principe van persoonlijke verantwoordelijkheid verbonden met een regel die bekend is uit het militaire recht. Namelijk de regel dat een bevel door militairen moreel getoetst dient te worden. De morele toetsing is in het Nederlandse recht niet vastgelegd, en ook de verwijzing hiernaar is uit het zicht verdwenen in de praktijk van de Nederlandse krijgsmacht.[4]
De oorlogen in Oekraïne en de Gazastrook laten zien dat militairen het verschil maken tussen burgers die beschermd moeten worden, en tegenstanders die bestreden moeten worden. Militairen bepalen wanneer en in welke mate geweld wordt toegepast. Machthebbers als de Russische president Poetin en de Israëlische premier Netanyahu worden door het Internationaal Strafhof ter verantwoording geroepen. Ondertussen zijn het de militairen die hun omstreden opdrachten, die vaak strijdig zijn met het internationale recht, moeten blijven uitvoeren. De juridische aansprakelijkheid van militairen, die worden ingezet bij een conflict, is één kant van het verhaal. Dit krijgt aandacht in het debat over de verhouding van bevelsdiscipline en morele verantwoordelijkheid. De gevolgen van de morele grensoverschrijdingen waartoe ze kunnen worden aangezet, is de andere kant van het verhaal. Deze gevolgen krijgen aandacht bij de onderwerpen van moral distress en moral injury.
Karakteristiek voor Nederland
Het internationale recht maakt persoonlijke verantwoordelijkheid tot een centraal principe. Tegelijk zorgt het internationale recht voor verwarring doordat het zich, net als het Tribunaal van Neurenberg, concentreert op politieke en militaire leiders. Ook wordt het idee van verantwoordelijkheid op staten en groepen toegepast.[5] Deze invulling van het internationale recht maakt dat persoonlijke verantwoordelijkheid voor militairen naar de achtergrond verschuift.[6] Een ander punt van verwarring is dat het internationale recht naar het nationale militaire recht wijst en stelt dat de landen hebben vastgelegd dat morele beoordeling van bevelen altijd nodig is. Maar over morele brondocumenten en welke normen gelden bij handhaving van morele waarden, blijft onduidelijkheid bestaan.[7]
Nederland heeft door het Internationale Strafhof, en door verdragen uit het verleden, een centrale positie voor het internationale recht. Toch is sinds de Tweede Wereldoorlog de regelgeving voor militairen nauwelijks aangepast aan het internationale recht. De invoering van de Wet Internationale Misdrijven (WIM, 2003) betekent dat Nederlandse burgers ook in het buitenland onder het Nederlands recht vallen. Dit betreft ook militairen. Het universaliteitsprincipe van het internationale recht is op deze manier ook op militairen van toepassing.[8] Gevolg is toenemende gelijkschakeling van burgers en militairen. Ook is een gevolg dat de onduidelijkheid over de speciale plaats die militairen hebben bij het uitvoeren van bevelen, blijft voortbestaan. Wie is verantwoordelijk als zij een bevel uitvoeren dat tot schending van humanitaire waarden leidt?
Waar andere krijgsmachten een bepaling kennen voor de morele beoordeling van bevelen, soms al in de tijd voor het Tribunaal van Neurenberg, ontbreekt deze in Nederland.[9] Afgaand op de militaire wet- en regelgeving kent Nederland een zeer strikte bevelsdiscipline die nauwelijks afwijking van bevelen toestaat. Dat de praktijk anders is, blijkt wel daaruit dat het nemen van eigen initiatief wordt aangemoedigd in de Nederlandse krijgsmacht, en zelfstandigheid als karakteristiek kenmerk geldt van Nederlandse militairen.[10]

In de Nederlandse krijgsmacht wordt het nemen van eigen initiatief aangemoedigd en zelfstandigheid geldt als karakteristiek kenmerk van Nederlandse militairen. Foto MCD, Gregory Fréni
Een ander kenmerk van de positie van Nederlandse militairen is dat morele motieven tot privéterrein worden gerekend. Ook op dit punt blijkt het beeld trouwens ambivalent. De Nederlandse overheid noemt het ‘strijden voor het landsbelang’ niet met zoveel woorden als bepalend motief, maar opoffering voor het vaderland wordt wel via de samenleving gestimuleerd.[11]
Theorie en praktijk
De positie van Nederlandse militairen past bij het beeld van de Nederlandse krijgsmacht: een krijgsmacht met een sterk zelfbewustzijn, een afstandelijke houding tot het politieke gezag en een zwakke verbinding met de samenleving, wat uitkomt in een onduidelijke morele motivering. Doordat het internationale recht van toepassing is - dat veel open laat over persoonlijke verantwoordelijkheid van militairen - en het niet altijd duidelijk is hoe internationaal recht zich verhoudt tot de bestaande Nederlandse wet- en regelgeving (die op het punt van persoonlijke verantwoordelijkheid niet aansluit op de huidige praktijk), is er sprake van onduidelijkheid en tegenstrijdigheid.[12]
De beschrijving van de persoonlijke verantwoordelijkheid van Nederlandse militairen laat zien dat belangrijke vragen onbeantwoord blijven. Wat betekent persoonlijke verantwoordelijkheid voor militairen, die een unieke morele positie hebben? Hoe leggen militairen verantwoording af, wanneer en aan wie? Dat het belangrijk is in Nederland dat militairen een sterk moreel bewustzijn hebben en eigen verantwoordelijkheid durven te nemen, is één kant van het verhaal. De andere kant is dat de wet- regelgeving en de interne bepalingen van de krijgsmacht vooral bevelshiërarchie benadrukken.
Het beeld van de persoonlijke verantwoordelijkheid van militairen, en hoe dit is vastgelegd, laat zien hoe belangrijk het is om de werkelijkheid op dit punt te kennen. Waarvoor voelen Nederlandse militairen zich verantwoordelijk, en hoe ervaren ze hun persoonlijke verantwoordelijkheid in oorlogsgebied? De missie in Uruzgan bood als meest recente grootschalige missie de mogelijkheid een beeld te geven van de ervaring van persoonlijke verantwoordelijkheid van Nederlandse militairen, onder meer vanwege veel en vergelijkbare gevechtssituaties. Voor het onderzoek naar de ervaring is uitgegaan van kenmerkende elementen van het begrip ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’. Gevraagd is naar de motivering voor de missie (1), naar spanningen (tussen moreel besef en opdrachten) (2), naar bewustzijn van eigen keuzes (3) en naar veranderingen in moreel besef die met de missie verband houden (4). In het vervolg geef ik op een zestal punten een beeld van de resultaten van het onderzoek en de vergelijking met de theorie.
Nederlandse militairen kennen een sterk besef van persoonlijke verantwoordelijkheid
Juist bij hun inzet ervaren militairen waarom ze militair zijn geworden. Bewijsdrang en trots klonken door wanneer militairen het over hun verantwoordelijkheid hadden. Militaire expertise en ervaring kwamen in beeld als de belangrijkste waarden. Hoe persoonlijk militairen verantwoordelijkheid opvatten, bleek ook uit de belangrijke rol die ouders hadden bij hun motivatie. Nederlandse militairen zien hun inzet in het verlengde van hun militaire identiteit. Ze zijn zeer taakbewust, maar het uitvoeren van de opdracht verbinden ze primair met hun gezamenlijke en persoonlijke identiteit als militair, en niet met hun verhouding tot het politieke gezag. Militairen zeiden dat ‘jezelf in de spiegel kunnen aankijken’ belangrijker is dan het volgen van regels. Over ‘hoe belangrijk de uitvoering van de opdracht is’, en welke risico’s daarbij aanvaardbaar waren, ontstonden naarmate de uitzending vorderde meerdere conflicten.
Over de persoonlijke verantwoordelijkheid van militairen bestaat een dominante overtuiging: deze kan maar een beperkte invulling krijgen vanwege bevelsdiscipline, onbekendheid met achtergronden van de opdrachten en het split-second karakter van de oorlog. Deze argumenten worden door militairen aanzienlijk genuanceerd. Zij ervaren bij hun inzet dat overleg kenmerkend en essentieel is voor goede beslissingen, en dat alles in hun expertise is afgestemd om via drills in oorlogsgebied tot goede keuzes te komen. Bovendien zijn ze bij hun inzet beter op de hoogte van het oorlogsgebied dan hun opdrachtgevers. Militairen ervaren bij hun inzet dan ook niet een beperkte vorm van persoonlijke verantwoordelijkheid, maar een versterkte vorm.
Nederlandse militairen vinden bepalende waarden in hun militaire identiteit
Je wordt militair vanwege avontuur en ontdekkingsdrang, daar stemmen militairen in overeen. Ze verschillen als het gaat om hoe er verbinding is te leggen met morele waarden. Er zijn militairen die heel uitgesproken zijn als het gaat om vrede en het helpen van kwetsbare burgers. Anderen zeggen dat militairen morele motieven aan leidinggevenden moeten overlaten.
Behalve verschillend blijken militairen ook ambivalent. Militairen die in morele motieven een gevaar zien (ze staan je in de weg bij de taakuitvoering en maken je kwetsbaar voor PTSS), geven ook voorbeelden hoe ze zich inzetten voor burgers, en dat ze dit even belangrijk vinden als hun eigen veiligheid en de uitvoering van de opdracht. Alle militairen zien in hun verbinding met de Nederlandse krijgsmacht het morele concentratiepunt. Nederlandse militairen zijn zelfstandig, relativeren bevelsverhoudingen, hechten aan openheid en overleg, verzetten zich tegen onnodige risico’s, zijn terughoudend in het toepassen van geweld en beschermen burgers. Wanneer deze waarden via regelgeving werden opgelegd, zorgde dit voor een gevoel van miskenning, en leidde dit tot weerzin en onbegrip, zozeer zien Nederlandse militairen deze waarden als behorend tot hun identiteit. Wanneer deze waarden door opdrachten in gevaar werden gebracht, zorgde dit voor verstoring en conflicten.
Een mensenleven is de hoogste morele waarde
In oorlogsgebied leven, werken en strijden militairen niet voor zichzelf, maar voor elkaar. De opdracht uitvoeren is waar het om gaat, en die vullen ze met elkaar in. In de aanloop naar de missie wordt alles gedaan aan groepsvorming, maar tijdens de inzet kan de uitvoering van de opdracht, en de prioriteit die dit voor de leiding heeft, spanningen geven met de eenheid. In Uruzgan verzetten militairen zich tegen het idee dat het leven van burgers in Afghanistan belangrijker was dan het leven van medemilitairen. Ze wilden ver gaan om burgers te helpen en te beschermen. Maar de opdracht en het militaire bevel waren voor militairen niet van grotere waarde dan hun eigen leven, dat ze weerspiegeld zagen in het leven van hun medemilitairen.
De afweging van risico’s bij een opdracht vatten militairen dan ook op als een morele zaak. Ze verzetten zich tegen het idee dat gehoorzaamheid en onderschikking de morele grondhouding vormen voor Nederlandse militairen. Het leven van burgers, en het leven van medemilitairen, was de morele maatstaf bij de uitvoering van opdrachten. Militairen zagen op dit punt een belangrijk verschil met andere krijgsmachten. ‘Wij moeten wel inventief zijn’, was een veel voorkomende mening; ‘we hebben iedereen nodig, want we zijn een kleine krijgsmacht en hebben voortdurend te maken met bezuinigingen’. Voor andere krijgsmachten had een mensenleven minder waarde, vonden militairen in Uruzgan.
De eenheid is het belangrijkste morele baken en instrument in oorlogsgebied
Nederlandse militairen zien als belangrijk verschil met andere landen de wijze waarop de bevelshiërarchie functioneert bij hun inzet. Juist bij voortdurende dreiging en in levensgevaarlijke omstandigheden gaat het erom dat je op elkaar kunt vertrouwen. Rangen en standen doen er dan minder toe. Die zijn er vooral voor kazernesituaties, vonden militairen. Wie je bent, en of je tot het uiterste gaat voor elkaar, dat is wat houvast geeft in de oorlog. Militairen ervaren afstand tot het politieke gezag die moraal via regels en wetten wil handhaven. De afstand heeft als keerzijde dat Nederlandse militairen zich zelfstandig opstellen, en kracht ontlenen aan de onderlinge band.

Nederlandse militairen van SFOR in Bosnië. Militairen in Afghanistan die de vergelijking met Bosnië konden maken, ervaarden dat ze in Afghanistan wél de juiste middelen en duidelijkheid hadden. Foto Beeldbank NIMH
Bij het onderwerp ‘persoonlijke verantwoordelijkheid van militairen’ wordt de band met de eenheid vaak als bron van morele ontsporing gezien. Militairen zouden in oorlogsgebied geneigd zijn uit vergeldingsdrang te handelen, elkaar aanzetten tot wreedheden en oorlogsmisdaden verduisteren, is een terugkerende gedachte. Vanuit kringen van het internationale recht wordt deze gedachte recentelijk wel genuanceerd, maar ze is nog altijd terug te vinden in de dominante rol van regelgeving in oorlogsgebied.[13] Nederlandse militairen waren in Uruzgan verontwaardigd wanneer de indruk werd gewekt dat zij uit wraak en vergeldingsdrang oorlogsmisdaden zouden kunnen plegen. Ze zagen terughoudendheid als een kenmerk van de identiteit die ze met elkaar delen. Oorlogsmisdaden zagen ze als vorm van verraad aan de band die alles voor hen betekende.
Regels functioneren wel en niet. Militairen zien en maken het verschil
De uitzending in Uruzgan kent legio voorbeelden van hoe het internationale recht uitwerkt in oorlogsgebied. De militairen waren uitgesproken over de duidelijkheid die door de regelgeving ontstond voor toepassing van geweld. Militairen die de vergelijking met Bosnië en Srebrenica konden maken zeiden: ‘toen waren we machteloos, nu wisten we precies wat we moesten doen en hadden we de juiste middelen’. Ook jonge militairen zeiden dat ze nooit hadden getwijfeld over wanneer ze hun wapen mochten gebruiken.
Er kwam ook een andere kant van de regelgeving in beeld. Inherent aan de inzet van militairen is dat ze opereren in gebieden waar wet- en regelgeving niet of onvoldoende functioneren. Militairen zeiden dat de tegenstanders minstens even goed op de hoogte waren van de geldende regels als zij zelf. Militairen namen waar dat regels werden misbruikt. Tegenstanders droegen geen zichtbare wapens zodat ze niet mochten worden aangevallen, en infiltreerden in gebieden waar de missie vorm kreeg. Dat hun waarneming en oordeel niet werd gevolgd, en dat er pas werd ingegrepen als de tegenstand zich had geformeerd, ervaarden militairen als persoonlijke miskenning. Dit raakte nog dieper wanneer hierbij slachtoffers vielen.
Met een beroep op ‘militaire noodzaak’ kan de politieke en militaire leiding ‘mensenrechtenregimes tijdelijk opschorten’.[14] Militairen moeten zich met gevaar voor eigen leven inzetten om humanitaire principes te handhaven. Zij moeten zich altijd aan dezelfde regels houden waar de overheid zich van kan distantiëren. Wanneer grootschalig geweldsmiddelen werden ingezet en burgerdoden vielen, en regels tijdelijk werden opgeschort, zoals in Chora in 2007, zorgde dit voor blijvend onbegrip.[15]
Verantwoordelijkheid is eerst persoonlijk, en dan pas functioneel
De combinatie van persoonlijke verantwoordelijkheid en militaire bevelsdiscipline zorgt voor een spanningsveld. Dat is altijd zo geweest. Sun Tzu stelde dat een goede en sterke leider alle verantwoordelijkheid op zich neemt en geen spoor van twijfel bij zijn volgelingen toestaat over de juistheid van zijn bevelen. Aan de andere kant van het spectrum bestaat de mening dat militairen zelf moeten kunnen beslissen of ze opdrachten uitvoeren, en waar voor hen de grens aan gehoorzaamheid ligt. Daartussen ligt de werkelijkheid.
De voor Nederland kenmerkende verhoudingen van gezag, gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid kwamen door de missie in Uruzgan aan de oppervlakte. Bij de aanvang konden overheid en militairen elkaar prima vinden. Politieke ambitie bleek goed samen te gaan met militaire bewijsdrang. De onduidelijke doelstelling gaf royaal kansen voor het tonen van militaire expertise. In de missie ontstonden spanningen wanneer de leiding regelgeving liet prevaleren boven militaire inzichten en oordeelsvorming. De politiek sprak bij het begin van de missie dierbare woorden over Afghanistan, en droeg aan het eind de verantwoordelijkheid over aan partijen met wie tijdens de missie officieel niet mocht worden samengewerkt. Aan het eind waren het de militairen die zich het lot van de bevolking aantrokken.
De verwarring op het punt van verantwoordelijkheid kreeg in Uruzgan concrete uitingen. De verwarring is niet typerend voor Nederland.[16] Kenmerkend voor Nederland is wel de grote afstand tussen politiek en krijgsmacht. De missie in Uruzgan werd overgedragen, zeiden autoriteiten. Militairen zeggen: afgebroken is het juiste woord. Toen de Amerikanen zich terugtrokken uit Afghanistan noemde de overheid dit moeilijk voor de Nederlandse militairen. De militairen hadden toen al lang geconcludeerd dat hun inzet door de houding van de Nederlandse overheid teniet gedaan was.

Nederlandse militairen in Afghanistan. De voor Nederland kenmerkende verhoudingen van gezag, gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid kwamen door de missie in Uruzgan aan de oppervlakte. Foto ANP, Evert-Jan Daniels
De Nederlandse overheid gebruikt een sterk juridische visie bij het begrip ‘verantwoordelijkheid’, wat blijkt bij de nadruk op de afsluiting van de missie. Militairen vatten hun verantwoordelijkheid persoonlijk op. Na de missie dringt het pas goed door wat die verantwoordelijkheid inhield. Rechtvaardigheid en verbondenheid waren de waarden die met medemilitairen onder dreiging en in levensgevaar werden hooggehouden. De waarden, die centraal staan in een mensenleven, kregen in de missie een nieuwe betekenis. Dat delen ze met militairen met wie ze hun identiteit in oorlogsgebied opnieuw leerden kennen en versterkten.
Conclusie
In mijn proefschrift breng ik de ervaring van persoonlijkheid van Nederlandse gevechtsmilitairen in kaart, en hoe deze ervaring zich verhoudt tot het beeld hiervan en de regels die hierover gelden. De hoofdconclusie is dat militairen zichzelf juist bij hun inzet zien als personen die vergaande verantwoordelijkheid dragen. Nederlandse militairen verzetten zich tegen de idee dat zij instrumenten zijn van de overheid. Ervaring die is opgedaan in de missie telt zwaarder dan leeftijd, rang en stand. Nederlandse militairen gaan ervan uit dat opdrachten getoetst moeten worden op risico’s, moreel karakter en effect. Zij bevinden zich voor die beoordeling in een unieke positie waar heel hun expertise en hun militaire identiteit in samenkomt. Het beperkte kader dat de overheid hanteert voor hun verantwoordelijkheid conflicteert met het kader dat zij aanhouden waarbij het volledige besef van verantwoordelijkheid na de inzet komt.
Moreel denken en handelen en militaire identiteit zijn voor Nederlandse militairen één verhaal. Een Nederlandse militair is niet een altruïstische weldoener die zich in opdracht van de overheid laat opofferen voor een ander, maar een strijder en beschermer. Het leven van kwetsbare burgers en het leven van hun medemilitairen vormen de morele waarden voor Nederlandse militairen waarvoor zij tot het uiterste gaan.
Het is belangrijk voor zorgvuldig gebruik van geweldsmiddelen en voor een veilige en effectieve inzet van militairen, dat ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’ een plaats en betekenis heeft die past bij het bewustzijn en de ervaring van militairen. Menselijkheid in oorlogsgebied wordt niet gewaarborgd door regels en door wetten. In chaos, geweld en onrecht wordt menselijkheid bewaakt door militairen. Zij proberen regels en wetten te volgen en te handhaven en zijn zich daarbij bewust zijn van hun persoonlijke verantwoordelijkheid en het belang daarvan.
[1] De Verenigde Naties namen in 1950 de bepalingen over uit het Charter voor het Tribunaal van Neurenberg die stelden dat persoonlijke verantwoordelijkheid gold bij ‘crimes against peace, war crimes, and crimes against humanity’. Dit betekende dat internationaal rechtsprincipes boven nationaal recht uit konden gaan. Een omstreden, maar in het licht van de holocaust, noodzakelijke stap: Van Baarda, ‘Quo vadis: Concepts of moral and legal philosophy underpinning the laws of armed conflicht’, Journal of the Philosophy of International Law 5 (2014) (2) 6, 7. Het internationale recht spreekt nu van vier hoofdpunten: genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en agressie.
[2] Ik gebruik deze onderscheiding in mijn proefschrift waarin het gaat over het verschil en de overeenkomsten tussen de verantwoordelijkheid die de militair opgedragen is (functionele verantwoordelijkheid) en de verantwoordelijkheid die de militair kent ten opzicht van eigen overtuigingen en tegenover humanitaire principes (vaak aangeduid als morele verantwoordelijkheid). De Nederlandse termen voor verantwoordelijkheid lopen niet parallel met de Engelstalige, waardoor er verschillen zijn. Ook is de terminologie voor verantwoordelijkheid van militairen meer gedifferentieerd dan in dit artikel kan worden weergeven.
[3] J.P. van Bruggen, Morele grenzen in oorlogsgebied: persoonlijke verantwoordelijkheid van Nederlandse militairen (Utrecht, Eburon, 2025) 54, 55: ‘Het [is] belangrijk voor ogen te houden dat morele verantwoordelijkheid als component noodzakelijk is voor het vaststellen van verantwoordelijkheid als aansprakelijkheid’. Verschillende auteurs wijzen erop dat beide niet zonder elkaar kunnen bestaan.
[4] Van Bruggen, Morele grenzen in oorlogsgebied, 105-107: de morele toetsing door officieren is als element bij de militaire eed verdwenen; ibidem 101, 122, 263: de gelijkschakeling van militairen en militairen door de WIM (Wet Internationale Misdrijven) maakt dat de specifieke verantwoordelijkheid van militairen in moreel opzicht onbenoemd blijft.
[5] ‘Verantwoordelijkheid’ wordt in het internationale recht voornamelijk in juridische zin gebruikt en als structurerend principe om tot strafvervolging te komen: A. Pellet, ‘The definition of responsibility in international law’, in: J. Crawford, A. Pellet, S. Olleson, & K. Parlett (red.), The Law of International Responsibility (Oxford University Press, 2010) 3-16.
[6] Van Baarda, Quo vadis, 15: ‘References to moral concepts are brief. Their theoretical underpinning remains largely unclear and their importance seems to vary’.
[7] Van Bruggen, Morele grenzen, 38: ‘Meerdere auteurs wijzen erop dat het internationale recht geen omschrijving geeft van humanitaire principes […]. [Wel wordt] de Lieber Code als moreel brondocument genoemd’. De Lieber Code grijpt terug op de klassieke Theorie van de Rechtvaardige Oorlog waarin de militair een eigen verantwoordelijkheid wordt toegekend, naast die van het militaire en politieke gezag.
[8] Het universaliteitsprincipe houdt in dat misdrijven die door de internationale gemeenschap als schokkend worden ervaren, door nationale overheden kunnen worden berecht ook als ze in een ander land zijn gepleegd. Zie A.M. van Gorp, ‘Humanitair oorlogsrecht’, in: P.J.J. van der Kruit (red.), Handboek militair recht (Wolf Legal Publishers, Nijmegen, 2009) 539. Het zogenoemde complementariteitsbeginsel is hiermee verbonden en houdt in dat internationale rechtsorganen de berechting van deze misdaden kunnen overnemen wanneer nationale rechtsinstanties dat niet willen of kunnen. De onderliggende gedachte is dat het om misdaden gaat die evident misdadig zijn, en niet pas bestraft kunnen worden als er sprake is van effectieve rechtsspraak.
[9] In het Nederlandse recht wordt handhaving van humanitaire waarden tot de verantwoordelijkheid van commandanten gerekend. Het geeft aan de verantwoordelijkheid van militairen een secundaire plaats, onder de bevelsdiscipline. Het internationale recht kent de persoonlijke en individuele verantwoordelijkheid een primaire plaats toe, toegevoegd aan de commandantenverantwoordelijkheid. Zie Van Bruggen, Morele grenzen, 102.
[10] A.F. Vink beschrijft hoe het voor Nederlandse militairen ‘vrijwel onmogelijk is’ om een dienstbevel te weigeren. Toch is een ‘Befehl ist Befehl-cultuur’ niet wat de Nederlandse krijgsmacht kenmerkt, schrijft hij en hij noemt daarbij het onderwijs in de krijgsmacht en de interne cultuur waarin militairen wordt voorgehouden dat zij zelf verantwoordelijkheid dragen bij het opvolgen van bevelen. Zie A.F. Vink, ‘Keer de bewijslast om: Van “niet opvolgen dienstbevel” naar “disobeying a lawful order”’, Militair rechtelijk tijdschrift 104 (2011) (3) 136-143.
[11] Het beeld van de militair als beschermer van het vaderland, die bereid is zijn leven te offeren voor de eer van de eigen natie, komt ook in Nederland voor. De doorgaande verering van Van Speijk is daarvan een voorbeeld. Anders dan in Frankrijk leggen officiële documenten zelden een rechtstreekse verbinding met dit beeld. Toch zijn er wel tekenen dat het idee van opoffering voor vaderland en staat niet alleen leeft, maar ook gestimuleerd wordt. Zie Van Bruggen, Morele grenzen, 85-88.
[12] Vink schrijft dat - uitgaande van de regelgeving - van Nederlandse militairen een ‘zeer tegennatuurlijke houding’ wordt verwacht. Hij stelt dat het militaire recht, net als bij andere krijgsmachten, een bepaling zou moeten kennen met condities voor een legitiem dienstbevel. Zie Vink, ‘Keer de bewijslast om’, 140.
[13] Het rapport van de ICRC, Roots of Restraint in War uit 2018, wijst er op dat het voor het handhaven van humanitaire waarden belangrijk is om aan te sluiten bij morele waardenpatronen van ‘arm carriers’. Dit is een verandering ten opzichte van de lijn die tot dan toe gevolgd is waarbij via ‘dissemination’ (het via de hiërarchische lijn bekend stellen en handhaven van humanitaire rechtsprincipes), morele waarden werden geïnstrueerd en via de bevelslijn werden opgelegd aan militairen. Zie Van Bruggen, Morele grenzen, 37.
[14] P.A.L. Ducheine en E.H. Pouw schrijven dat vanwege politieke en militaire noodzaak de militaire leiding kan besluiten dat het handhaven van humanitaire waarden ondergeschikt is aan het belang van de operatie. Zie P.A.L. Ducheine en E.H. Pouw, Operaties in Afghanistan: Rechtsbases en rechtsregimes (Publication Faculty of Military Sciences Netherlands Defence Academy, 2009). De Nederlandse Defensie Doctrine (2019) stelt over mensenrechtenverdragen dat deze ‘in beginsel’ van toepassing zijn bij militaire operaties. De ambivalente situatie beperkt zich niet tot het Nederlandse domein. Door de juridische geldigheid die de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens heeft (en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ontbeert) kunnen militairen door burgers in het inzetgebied bij het Europese Hof worden aangeklaagd voor gebruikt geweld. Zie Van Bruggen, Morele grenzen, 38.
[15] In mijn proefschrift komt meermaals de situatie naar voren dat Nederlandse militairen waarnemen dat tegenstanders onder dekking van geldende Rules of Engagement (geen zichtbare wapens) infiltreren in het gebied. De legerleiding verbiedt hen dan in te grijpen vanwege geldende regels. Hierdoor ontstaat een situatie die de militairen wilden en konden voorkomen, waarbij tegenstanders zich vermengen met de bevolking. In het geval van de zogenoemde slag om Chora leidde dit tot tientallen burgerdoden. De inzet van zware wapens, die omstreden was, en waarvoor de verplichte waarneming van militairen werd gepasseerd (waarvoor alsnog regelgeving niet van toepassing werd verklaard), leidde bij hen tot onbegrip en een diepgaand gevoel van miskenning. Zie Van Bruggen, Morele grenzen, 185, 186, 325,326). In mijn proefschrift komt bij Chora ook naar voren dat wanneer er sprake is van inmenging van politiek, of vermenging met politieke motieven, dit leidt tot hevige en soms langdurige verontwaardiging bij militairen.
[16] M. Grandia beschrijft de ontwikkeling van de missies in Uruzgan (Nederland) en Helmand (Verenigd Koninkrijk) en ziet daarbij parallellen. De politieke machthebbers wilden in Afghanistan afrekenen met een problematisch verleden (voor Nederland was dat Srebrenica, voor het VK de Irak-missie) wat resulteerde in missies die zich ontwikkelden volgens een eigen wetmatigheid, waarbij militairen zelf de uiteindelijke invulling bepaalden. Zie M. Grandia Mantas, Inescapable entrapments? The civil-military decision paths to Uruzgan and Helmand (Leiden University Press, 2021).