‘Dat eskadertje moest dus toen ook tegenover Venezuela den dienst doen van machtsvertoon.’ Dit is geen sneer naar de Amerikaanse strijdkrachten, die in januari president Maduro wegvoerden uit Venezuela, maar een commentaar op de toestand van de Nederlandse vloot uit 1888.
In de Militaire Spectator velde een ‘hooggeplaatste zeeofficier’ een hard oordeel over de Nederlandse marine.[1] Daarbij gebruikte hij ook Venezuela als thema. Omdat Nederland via het nabijgelegen Curaçao de ‘in- en uitvoer van oorlogsbehoeften’ had toegestaan, had Venezuela een aantal jaren eerder enkele van zijn havens voor Nederlands handelsverkeer gesloten. Volgens de zeeofficier kon Venezuela ongestraft ‘een van de schoonste havens der wereld, die zich in ons bezit bevindt’, ruïneren.
‘En wat deden wij tegenover Venezuela?’, vroeg hij zich af. ‘Niets! De tijd is voorbij, dat wij met vloten op den oceaan strijden konden tegen vereenigde vloten van de eerste zeemogendheden der wereld; nu dwingt zelfs Venezuela ons naar zijn grillen!’
‘Het vertoonen van de driekleur in den vreemde’ was compleet mislukt door een ‘exercitie-eskadertje van drie zeilstoomschepen’ naar het Caribisch gebied te sturen. De officier waarschuwde dat het rampzalig af had kunnen lopen als Venezuela, ‘uitgelokt door de kennis onzer algemeene maritieme zwakheid, tot gewelddadigheid ware aangezet en overgegaan’ en de Nederlandse korvetten had verjaagd of tot zinken gebracht, ‘zonder dat wij bij machte zouden zijn geweest, voor een dergelijke beleediging ons aangedaan, represaille te nemen; want noch personeel, noch materieel hadden wij hiertoe beschikbaar.’
[1] Een hooggeplaatst zeeofficier, ‘Een oordeel over onze marine’, Militaire Spectator 57 (1888) (8) 666-674.