In het interbellum was er in Nederland, als reactie op de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, een sterke pacifistische beweging.[1] ‘Nooit meer oorlog!’, was hun leus en het gebroken geweertje hun symbool. Deze beweging werd in Nederland in hoofdzaak gedragen door socialistische en christelijke organisaties. De aanhangers van deze beweging waren (om verschillende redenen) de mening toegedaan dat elke vorm van geweld fout was en dat Nederland derhalve geen behoefte had aan een krijgsmacht voor andere dan ceremoniële taken. We waren immers neutraal. Ook wilde men de toen nog algemeen geldende dienstplicht afschaffen. De invloed van deze vredesbeweging was in de jaren na de Eerste Wereldoorlog zeer groot. Zo groot, dat er met behulp van de SDAP[2] en enkele kleine christelijke partijen  ruim een miljoen handtekeningen werden verzameld tegen de zogeheten Vlootwet. En dan te bedenken dat Nederland in die tijd nog maar zeven miljoen inwoners telde en personen onder de 21 jaar niet mochten tekenen. Mede door deze handtekeningenactie werd de wet voor de (noodzakelijke) vernieuwing van de Nederlandse vloot in de Tweede Kamer afgewezen.

Een andere indicatie van de kracht van deze pacifistische beweging vormt het aantal dienstweigeraars. Wat zegt u? Dat was toch een fenomeen uit de hippiejaren zestig en zeventig? Voorwaar niet! Ook in het begin van de 20e eeuw weigerden jonge mannen al om voor hun nummer op te komen. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog liep het aantal dienstweigeraars op van 400 in 1918 tot ruim 3000 per jaar in 1922. Op dienstweigeren stond in die tijd een forse gevangenisstraf, dus dat leidde tot een groeiend maatschappelijk probleem, want het aantal gedetineerden in Nederlandse gevangenissen nam door deze ontwikkeling met maar liefst 50 procent toe! Dit leidde tot overbelaste rechtbanken, overvolle gevangenissen en stress bij het gevangenispersoneel. 

Ook ideologisch had de politiek last van de pacifistische beweging. Zo werden er allerlei organisaties opgericht die actie gingen voeren tegen de dienstplicht en alles wat militair was. Deze organisaties wisten met regelmaat tienduizenden betogers op de been te brengen en verstoorden in 1922 zelfs de koninklijke stoet op Prinsjesdag.[3] En als een probleem maar groot genoeg is, wordt er plotseling een oplossing gevonden die de kool en de geit spaart. Denk meer recent bijvoorbeeld aan het gedogen van softdrugs. Die oplossing kwam er uiteindelijk voor de dienstweigeraars in 1923, door het invoeren van de Wet Gewetensbezwaren. Want dienstweigeraars met een ‘goed verhaal’ hoefden op basis van deze wet niet langer de gevangenis in, maar mochten vervangende dienstplicht verrichten. En dat werd natuurlijk getoetst! Want als je wel een vlieg doodsloeg, maar geen mens wilde doden, dan was je kennelijk geen echte pacifist. Daarmee werd dus feitelijk een verkapte intelligentietest ingevoerd. Wie zich goed verdiepte in de wet en de juiste antwoorden gaf, kon vervangende dienstplicht vervullen. De paar domoren (of de zeer eerlijke of principiële mannen) die niet de juiste antwoorden gaven, konden dan alsnog in de gevangenis gaan zitten. Maar dat waren dan beheersbare aantallen. Dus was iedereen tevreden. En zo was het vanaf 1924 voor jonge mannen mogelijk om op grond van de overtuiging dat men de medemens niet mag doden een verzoekschrift tot vervangende dienstplicht in te dienen. De aanvrager werd dan door een commissie gehoord en kon bij een gunstige beslissing worden vrijgesteld van militaire dienst. In plaats daarvan moest dan vervangende burgerdienst verricht worden, die wel een paar maanden langer duurde dan de militaire dienst. Deze langere termijn was natuurlijk bedoeld om opportunisten, die zo dachten makkelijk te ontkomen aan hun diensttijd, af te schrikken. In het wetsontwerp was dit overigens verwoord als de compensatie voor het vrijgesteld zijn van herhalingsoefening. 

De inspanningen van deze pacifistische beweging resulteerden, zoals we uit de geschiedenisboekjes weten, in een krijgsmacht die in 1940, toen het er op aan kwam en de Nederlandse neutraliteit een illusie bleek, wel een forse personele omvang had (dienstplichtigen kregen in die tijd nog nauwelijks betaald, dus waren lekker goedkoop), maar zowel bij de zee- als de landmacht uitgerust was met te weinig en sterk verouderd materieel. Een krijgsmacht die bovendien onvoldoende geoefend was en daarom slechts incidenteel serieuze weerstand kon bieden aan de Duitsers. 

Wat hebben we daarvan geleerd? De afgelopen decennia zag ik geen brede maatschappelijke ideologische weerstand zoals die van de pacifisten honderd jaar geleden. Eerder een soort onverschilligheid. De meeste wat grotere partijen in de Tweede Kamer zagen – op papier –wel degelijk de noodzaak van een krijgsmacht in. Maar geld uitgeven, ho maar! De illusie van de neutraliteit had plaatsgemaakt voor het vertrouwen in de NAVO, meer specifiek de Amerikanen. En omdat de dienstplicht in 1997 werd opgeschort en soldaten tegenwoordig een (min of meer) marktconform salaris verdienen, heeft men er in de afgelopen dertig jaar vooral voor gekozen de omvang van de krijgsmacht steeds verder te beperken, zodat inmiddels elk voortzettingsvermogen ontbreekt. Daarmee is het eindresultaat van onze defensie-inspanningen tot voor kort de facto hetzelfde als in het interbellum. De gevechtskracht en het voorzettingsvermogen van de Nederlandse krijgsmacht zijn al jaren onvoldoende om haar formele taken uit te kunnen voeren en ondanks mooie praatjes van het ministerie zal dat ook niet snel beter worden. Daar kwamen we na de Russische inval in Oekraïne dus opnieuw achter, net als in 1938 na de annexatie van het Sudetenland. L’histoire se répète, maar net een beetje anders. We moeten hopen dat de afgelopen 80 jaar niet het interbellum 2.0 wordt.

Trouwens, ook aan het eind van het interbellum 1.0 probeerde Nederland nog vertwijfeld in Frankrijk, Engeland en zelfs in Duitsland moderne wapens en munitie te bestellen. Maar de mondiale vraag naar wapentuig was door de wereldwijd oplopende spanningen dermate geëxplodeerd, dat de fabrieken in Europa vrijwel niets op tijd zouden leveren. Ook vandaag de dag zijn er weer actievoerders die wapenbeurzen verstoren, bouw- en oefenvergunningen voor defensie dwarsbomen en dat alles vanuit dezelfde naïeve gedachte als in 1920: nooit meer oorlog! Ook dat klinkt dus bekend. Dat oorlog, ook al ben je er tegen, ongevraagd naar je toe kan komen, komt niet bij ze op. Wij zijn kennelijk een hardnekkig volkje, met een slecht geheugen, dat altijd weer denkt voor een dubbeltje op de eerste rang te kunnen zitten.

 

[1] Voor die paar jongere lezers: het interbellum is de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog.

[2] Sociaal Democratische Arbeiders Partij, de voorloper van de Partij van de Arbeid. 

[3] Wat is er honderd jaar later toch weinig nieuws onder de zon.

Over de auteur(s)