Oratie uitgesproken door prof. dr. Thijs Brocades Zaalberg op 24 oktober 2025 bij aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Militaire Geschiedenis aan de Universiteit Leiden*

Het centrale thema van deze oratie, irreguliere oorlogvoering, is uitermate trendgevoelig. De studie van deze vorm van oorlog – die voor westerse staten meestal heeft gedraaid om het bestrijden van guerrilla’s – is dezer dagen behoorlijk impopulair in militaire organisaties wereldwijd, in denktanks en aan universiteiten. Militairen, krijgswetenschappers en veiligheidsexperts in de media houden zich tegenwoordig veel liever bezig met wat in Nederlandse defensiekringen hoofdtaak 1 heet: het grootschalig gevecht tussen staten of de voorbereiding daarop ter bescherming van het bondgenootschappelijk NAVO-grondgebied.[1] Interstatelijk in plaats van intrastatelijk conflict. Reguliere oorlogvoering door geüniformeerde ‘geregelde’ statelijke leger dus, ook wel bekend als conventionele oorlogvoering. In de militaire volksmond: staal op staal.[2] Gezien de Oekraïne-oorlog, de dreiging van Rusland in Europa en met China als uitdager van de Verenigde Staten op het wereldtoneel lijkt dit een volstrekt logische ontwikkeling; zelfs als we onderkennen dat irregulier conflict tijdens opstanden, revoluties en burgeroorlogen sinds de Tweede Wereldoorlog de dominante vorm van gewapend conflict is.[3]

Ook lijkt de aandachtspiek voorbij voor het subthema van mijn oratie: extreme geweldpleging in een koloniale context, een onderwerp dat sterk is verweven met irreguliere oorlogvoering. We hebben het dan vooral over geweld tegen non-combattanten, burgers en gevangenen, buiten of in de marge van gevechtssituaties.[4] Het in 2022 gepresenteerde onderzoek naar de oorlog in Indonesië (1945-1949) lijkt alweer oude geschiedenis, net als premier Mark Rutte’s excuses die daarop volgden voor het structurele extreme geweld gepleegd door de Nederlandse krijgsmacht. Rekenschap afleggen voor het koloniale verleden – ‘koloniale zelfkastijding’ volgens critici – lijkt ‘passé’. Niet onder grote groepen Nederlanders en zeker niet onder academici en studenten zoals hier in Leiden. De politieke en maatschappelijke wind heeft het thema echter niet meer in de zeilen. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is dat niet veel anders – om van de Verenigde Staten maar te zwijgen.

Het had ook weinig gescheeld of irreguliere oorlogvoering was als zelfstandig vak in de officiersopleiding verdwenen aan mijn andere wetenschappelijke thuisbasis, de Defensieacademie in Breda.[5] Daar stak ik met gelijkgezinden aan de academie een stokje voor. Hoe dan ook is het hoog tijd om krachtig tegen de stroom in te zwemmen.

Irregulier conflict tijdens opstanden, revoluties en burgeroorlogen is sinds de Tweede Wereldoorlog de dominante vorm van gewapend conflict. Foto Beeldbank NIMH

Een perfecte storm

Zo’n kleine twintig jaar geleden stond het vakgebied – het bestuderen van irreguliere en koloniale oorlogen – er totaal anders voor. Toen woedde er een perfecte storm die de aandacht voor beide thema’s aanjoeg. Deze storm werd veroorzaakt door de synergetische werking tussen enerzijds krijgswetenschappers en doctrineschrijvers en anderzijds koloniale historici. Geconfronteerd met de militaire uitdagingen in Afghanistan en Irak stortte de eerste groep zich enthousiast op het instrumentaliseren van de geschiedenis: het gebruiken van ervaringen uit het koloniale oorlogen als lesboek of, zo men wil, historische grabbelton. Tegelijkertijd waren historici wereldwijd juist begonnen met een nieuwe ronde kritisch onderzoek naar koloniale counterinsurgency, wat zich enigszins moeizaam laat vertalen als ‘opstandbestrijding’. De focus lag daarbij juist op de meest duistere kant van het bestrijden van wat veelal guerrillastrijders waren. Het onderzoek richtte zich op  extreme geweldpleging, zoals martelpraktijken, massale executies en collectieve bestraffing van de bevolking.

Die storm begon zo’n tien jaar geleden geleidelijk te luwen. Met de val van Kabul in 2021 kunnen we spreken van het einde van een tijdperk dat met de aanslagen van 9/11 begon. We zijn daarmee in een ‘1975-moment’ beland – zo houd ik mijn studenten aan de militaire academie voor tijdens colleges. Als toets voor het historisch besef onder deze cadetten en adelborsten vraag ik hen waar ik in deze context met dat specifieke jaartal op doel. Het antwoord ‘het einde van de Vietnam-oorlog’ viel dit jaar – precies vijftig jaar na de val van Saigon – vaker dan normaal. Als er één oorlog is die het onderwerp guerrilla en counterinsurgency in het Westen een podium heeft gegeven, dan is het wel de Amerikaanse fase van de oorlog in Vietnam.

Met 1975 doel ik natuurlijk ook op het einde van drie decennia bloedige dekolonisatiestrijd. Die begon in Indonesië in 1945 en eindigde na bloedige oorlogen in Indochina, Algerije, Maleisië, Kenia, en Madagaskar met de onafhankelijkheid van Portugese koloniën als Mozambique en Angola. Over het sentiment in Westerse krijgsmachten na 1975 schreef de Israëlische militair historicus Martin van Creveld in 2000: ‘When the last colonies—those of Portugal—went free in 1975, many people felt that an era in warfare had come to an end. Having suffered one defeat after another, the most important armed forces of the ‘developed’ world in particular heaved a sigh of relief; gratefully, they felt that they could return to ‘ordinary’ soldiering, by which they meant preparing for wars against armed organizations similar to themselves on the other side of the Iron Curtain’.[6]

Het was de klinische belofte van staal op staal na de troebele ‘oorlog onder de mensen’ die het enthousiasme aanwakkerde. Het was de militaire drang naar ‘ordinary soldiering’ of ‘real soldiering’.[7] Wie dit sentiment in zijn meest absurde vorm wil proeven: luister naar de recente speech van de Amerikaanse defensieminister Pete Hegseth voor honderden Amerikaanse generaals en admiraals. Of moet ik al zeggen: minister van Oorlog?

De Amerikaanse defensieminister Pete Hegseth is een exponent van de militaire drang naar ‘ordinary soldiering’. Foto US Department of War

Ook vanaf de jaren zeventig belandde counterinsurgency – de belangrijkste verschijningsvorm van irreguliere oorlogvoering – doctrinair en in het militaire onderwijs op een zijspoor. Het besmette onderwerp werd weggemoffeld in een conceptuele brij van verwarrende begrippen als Low Intensity Conflict (LIC) en Military Operations Other than War (MOOTW). Door het thema te negeren zou het probleem wel vanzelf verdwijnen, zo leek de hoop.[8] En zo lijkt wellicht opnieuw de hoop.

De irreguliere zijstroom

Het was in deze context dat de Leidse professor Petra Groen dertig jaar geleden de blinde vlek onder strategische denkers en theoretici voor dit type oorlog al eens aankaartte. Zij deed dit in haar inaugurele rede precies op deze plek. Zij bekleedde als eerste deze militair-historische leerstoel en haar onderwerpkeuze was geen toeval. Hier in Leiden bestond een kleine enclave in het Nederlandse historische landschap waar enkele historici zich met koloniale militaire geschiedenis bezighielden – en juist koloniale oorlogen worden vaak op irreguliere wijze uitgevochten. Dit vanwege de technologische en organisatorische asymmetrie. Die maakt dat de militair zwakkere partij de directe, grootschalige confrontatie met de sterkere partij mijdt en zich vooral richt op hinderlagen en aanslagen; dat hij goedschiks of kwaadschiks gebruik maakt van bevolkingssteun en dat hij het reguliere leger vooral probeert te slijten en zo diens wil om het conflict voort te zetten ondermijnt. Een indirecte benadering dus.

In haar oratie over militaire denkers, doctrine en de waarde van theorievorming omschreef Groen deze fenomenen als staande ‘buiten de militaire orde’.[9] Ze gebruikte de metafoor van een aparte ‘kleine zijstroom’ naast de reguliere ‘hoofdstroom’ van grootschalige oorlogvoering. Hier maakten voor het landoptreden theoretici als Carl von Clausewitz en Antoine-Henri Jomini sinds jaar en dag die dienst uit.[10]  

In die zijstroom roerde zich sinds de negentiende eeuw een klein groepje koloniale krijgers. Enige naamsbekendheid onder specialisten verwierven Franse officieren als Louis Lyautey, Joseph Galliéni en de Britse Garnet Wolseley en Charles Callwell. Na de Tweede Wereldoorlog waren dat Robert Thompson en Frank Kitson. David Galula’s Counterinsurgency Theory moest nog worden herontdekt en zou later onder Amerikaanse officieren in Irak furore maken. Al deze officieren hadden gevochten in wat sinds de vroegmoderne tijd ‘de kleine oorlog’ was gaan heten. We hebben hier de Spaanse term ‘guerrilla’ aan overgehouden, omdat het begrip zijn bekendheid vooral te danken heeft aan het Spaanse verzet tegen de Napoleontische bezetting. Het was hier dat de Franse officier Thomas Bugeaud ervaring opdeed voor zijn verwoestende ‘pacificatie’ van Algerije rond 1840 – een methode die op haar beurt bekendheid gaf aan de term ‘razzia’. In de jaren negentig was het denken ‘in de zijstroom’ echter klein bier vergeleken met de boekenkasten die gevuld waren met het strategisch denken in de ‘reguliere’ hoofdstroom.

Petra Groen kon in 1995 niet vermoeden dat haar impliciete pleidooi om irreguliere oorlogvoering dichter naar het centrum van het militaire denken te leiden, tijdelijk werkelijkheid zou worden. Daar was namelijk de internationale systeemschok van 9/11 voor nodig, gevolgd door de Amerikaanse inval in Afghanistan in 2001 en de nog veel roekelozere invasie van Irak in 2003. Na korte reguliere offensieven ontaardden beide in een complexe irreguliere strijd, waaraan ook veel Amerikaanse bondgenoten zoals Nederland deelnamen. Even leek ‘irregulier’ de hoofdstroom te worden.

Ik wil vandaag allereerst de ontwikkeling van het debat van de afgelopen drie decennia beknopt analyseren. Als bekleder van de leerstoel militaire geschiedenis en in het bijzonder koloniale en irreguliere oorlogvoering, wil ik vervolgens twee voor het vakgebied belangrijke vormen van categorisering tegen het licht houden. Ik wil ze problematiseren om bij te dragen aan een beter begrip van dit type conflict. De eerste is de scheiding tussen reguliere en irreguliere oorlogvoering. Dit onderwerp hangt vooral samen met mijn functie bij de vakgroep Krijgswetenschappen van de Nederlandse Defensieacademie – mijn ‘Bredase identiteit’. Debat over de tweede vorm van categorisering past bij mijn zuiver historische ‘Leidse profiel’. Dit betreft het onderscheid tussen extreem geweld in koloniale oorlogen – vaak aangeduid als ‘koloniaal geweld’ – en dergelijk geweld in andere typen oorlog.[11] Waar Petra Groen zich richtte op theorievorming, leg ik de nadruk op de kloof en interactie tussen theorie en praktijk – een onderwerp dat nauw is verbonden met het gebruik en misbruik van de militaire geschiedenis.[12]

Naïeve bewondering en selectief geheugen

Zoals gezegd veroorzaakten de oorlogen in Irak en Afghanistan massale interesse in koloniale opstanden. Vooral de zogeheten ‘bevolkingsgerichte’ vorm van opstandbestrijding ontlokte een eerste golf van naïeve bewondering voor een selectie van de koloniale praktijken die vaak worden geduid met het begrip ‘winning the hearts and minds’. Opstanden bestrijden, zo zou het verleden leren, deed je niet primair door je te richten op de vernietiging van guerrilla’s die tussen burgers manoeuvreerden en zich in jungles verscholen; geen ‘vijandgerichte’ aanpak dus, maar een strategie die zich richtte op het overreden van de bevolking waarop de guerrilla parasiteerde. Toverwoorden hierbij waren ‘minimum force’ en een ‘geïntegreerde benadering’ van militaire en civiele – bestuurlijke, sociale en economische – maatregelen.[13]

Hierachter ging een blind westers geloof schuil in het exporteren van het liberaal-democratische, westerse model van staatsvorming, maar ook in materiële vooruitgang als de primaire menselijke drijfveer. Met hoofdletters geschreven en afgekort tot ‘COIN’ werd deze benadering van counterinsurgency een theorie en geloofsartikel.

Deze instrumentele benadering van de geschiedenis ging gepaard met vaak oppervlakkige historische vergelijkingen van ‘goede’ (lees vooral: Britse) en ‘slechte’ (lees: Amerikaanse of Franse) praktijken en een sterk geloof in doctrinaire ‘receptenboeken’. Vergelijken op deze manier was tijdens de oorlogen zelf al een favoriet tijdverdrijf. De Britten propageerden begin jaren vijftig hun superieure 'minimum force'-aanpak in Maleisië, om te laten zien dat zij het er beter afbrachten dan de Fransen in Indochina – daarbij negerend dat de Vietminh een veel sterkere tegenstander was. Generaal Simon Spoor ontwikkelde in Indonesië in 1946 de mythe van ‘Hollandsche methodiek’, die subtieler en chirurgischer zou zijn dan het Britse optreden tijdens de Slag om Surabaya en de toen hardhandige guerrillabestrijding in Maleisië.[14] De mythe van de ‘Dutch Approach’ in Irak en Afghanistan staat in een lange traditie van nationaal militair-exceptionalisme.[15]

De meeste recente piek in counterinsurgency-onderzoek kenmerkte zich niet alleen door de obsessie met nationale COIN-methoden, maar ook met de verbijzondering van de discipline als geheel. COIN vergde een dieper begrip van menselijke en maatschappelijke factoren dan ‘gewone’ oorlogvoering. Amerikaanse doctrineschrijvers noemden het 'the graduate level of war'. COIN had zijn eigen goeroe’s zoals John Nagl en David Kilcullen. Aan het roer stonden savior generals: de Britse generaal Gerald Templer in Maleisië in de jaren vijftig, de Amerikanen Creighton Abrams in Vietnam vanaf 1969 en David Petraeus in Irak in 2007-2008. Verlicht-denkende leiders die als reddende engelen schoon schip maakten na hun regulier-georiënteerde, vaak brute voorgangers. Er zat een kern van waarheid in en samen met het ‘hearts and minds’-mantra vormde het een aanlokkelijk narratief. 

Het narratief riep echter de nodige weerstand op door zijn onevenwichtigheid en hoge mate van politisering. Irak en Afghanistan bleken bovendien zeer harde noten om te kraken. Was je rond 2012 voor ‘blijven’ en méér troepen, dan omhelsde je COIN. Was je voor terugtrekking, dan beschouwde je COIN met zijn staatsopbouw-dimensie als een slangenolie.[16] En dit speelde zich allemaal af tegen een achtergrond van historisch onderzoek dat de nodige mythen ontrafelde en zo de koloniale echoput probeerde te dempen.[17]

Nederlandse militairen op patrouille in Uruzgan, 2010. Wie voor terugtrekking was, beschouwde COIN met zijn staatsopbouw-dimensie als een slangenolie. Foto ANP, Evert Jan Daniels

Drie Golven en selectief leren

Gaan we met zevenmijlslaarzen door de militaire geschiedenis van de lange twintigste eeuw, dan kunnen we drie westerse aandachtspieken onderscheiden voor het bestrijden van irreguliere tegenstanders. Allereerst het Moderne Imperialisme (1870 tot 1914). Hierin bestreden onder meer Fransen, Nederlanders, Britten en Amerikanen lokaal verzet tegen hun veroveringszucht te vuur en te zwaard. Vervolgens is er de dekolonisatiegolf met zijn nationalistische en communistische opstanden. Ten slotte is er het post-9/11-tijdperk. Hier zien we de curieuze mix van een Amerikaanse wraakoefening en bewapende staatsopbouw die de Nederlandse regering voor Afghanistan als ‘wederopbouwmissie’ framede.

De drie episodes leggen een cyclisch patroon bloot. Allereerst ontstond na elke aandachtspiek weerzin tegen deze zogeheten ‘smerige oorlogen’. Deze desinteresse werd vaak versterkt door hernieuwde dreiging van grootschalige oorlogen, die militairen op enige afstand van de historische ervaring door een nostalgische bril vaak als ‘schoner’ gingen beschouwen. Tijdens de opleving van interesse zien we vervolgens theorievorming gevoed door selectieve geschiedschrijving. Hierbij lag de nadruk soms op manoeuvre, offensieve aanvalscolonnes of chirurgische onthoofdingsstrategiën – in lijn met de dominante militair-culturele voorkeur dus. Vaker lag het accent op de ‘hearts and minds’-benadering. Platgeslagen in Amerikaans militair jargon was dit de tegenstelling ‘enemy-centric’ versus ‘population-centric’ counterinsurgency.

Een derde onderliggend patroon was de permanente verwarring van doctrine – de gewenste of geïdealiseerde manier van oorlogvoering – met de rauwe werkelijkheid. De Fransen theoretiseerden rond 1900 als eersten over een ‘bevolkingsgerichte’ aanpak waarbij militaire en sociaal-economische maatregelen overlapten. Lyautey’s beroemde ‘olievlekstrategie’ week echter sterk af van de hardhandige praktijk, bijvoorbeeld tijdens de bloedige ‘pacificatie’ van Marokko begin twintigste eeuw. Het breken met generaal Bugeauds beruchte ‘razzia’s’ leek meer een pr-stunt voor de Franse publieke opinie dan een levensvatbare strategie. Toch haalden NAVO-militairen in Afghanistan de olievlekstrategie weer kritiekloos van stal. Ook toen moest een impopulaire missie met een onduidelijk doel in een ver land aan een sceptisch thuispubliek worden verkocht.

Sommige Nederlandse militairen vonden inspiratie bij Van Heutsz’ succes in Atjeh rond 1900. Dat werd verkocht als een zegetocht van het offensieve, maar chirurgisch optredende Korps Marechaussee, vermengd met cultureel-bestuurlijk advies van islamdeskundige Snouck Hurgronje. Net als Lyautey predikte Van Heutsz humaan militair optreden, passend bij de ‘ethische politiek’ die het imperialisme moest legitimeren. Doctrine- en kroniekschrijvers negeerden dat zijn succes op langere termijn gebaseerd was op een netwerk van militaire posten, een passenstelsel en een bruut systeem van collectieve bestraffingen in de vorm van boetes en dwangarbeid.[18]

Ook in de dekolonisatiefase met zijn ‘hearts and minds’-discours gingen in de kloof tussen praktijk en theorie de scherpste kantjes er onherroepelijk af. Neem de overbekende Britse overwinning op de communistische opstandelingen in Maleisië (1948-1960). Toegegeven, de Britse strafkampen en folterpraktijken in Kenia (1952-1960) waren van een andere orde, maar ook in Maleisië was het koloniale regime hardvochtig en repressief. De oorlog in Algerije (1954-1962) was berucht vanwege ‘la Torture’, gedwongen migratie en het uiteindelijke Franse verlies op politiek-strategisch niveau. Toch werd Algerije als tactisch receptenboek gebruikt door de Amerikanen in Irak. Het Franse gerecht mocht dan wel zwartgeblakerd uit de oven zijn gekomen, sommige ingrediënten waren bewonderenswaardig en nog best smakelijk, moeten de Amerikanen gedacht hebben.[19] 

Wat ten slotte als patroon bovendrijft, is de sterke drang tot isoleren van irreguliere oorlogvoering als separate en bijzondere categorie van oorlog. Omdat ze in Irak en Afghanistan zo goed te berijden leken, kozen militairen, theoretici en doctrinaire denkers als hun stokpaardjes de autonome opstanden in Maleisië en Algerije. Beide waren irreguliere conflicten zonder een grote reguliere component. De innige historische verstrengeling tussen het irreguliere en reguliere gevecht werd lange tijd genegeerd. 

‘Hybride oorlogvoering’?

De drang om oorlogvoering te categoriseren en te conceptualiseren is eenvoudig verklaarbaar. Onze kennis is nu eenmaal afhankelijk van de orde die concepten creëren en het debat dat ze faciliteren. Daarbij werken vooral sociale wetenschappers vaak met dichotomieën: oorlog versus vrede, stabiliteit versus instabiliteit, partijdigheid versus onpartijdigheid, vredesoperaties versus gevechtsoperaties. De prominente Britse hoogleraar strategische studies Colin Gray benadrukte dat – ondanks de wildgroei aan terminologie en concepten – de enige houdbare conceptuele indeling die tussen regulier en irreguliere oorlogvoering blijft.[20] Ik ga hier deels in mee. Ik ben geen fan van de conceptuele brij die sinds zijn signalering in 2006 alleen maar verder is uitgedijd. Denk hierbij aan begrippen als ‘grey zone warfare’, ‘ambiguous warfare’, ‘unrestricted warfare’, ‘political warfare’ en – last but not least – ‘hybrid warfare’, waarover zo meer.[21] 

Toch is het de problematische scheiding tussen enerzijds regulier en anderzijds irregulier waar ik mij in dit tweede deel van mijn betoog op wil richten. Want biedt die tweedeling de militair historicus voldoende analytische helderheid en aanknopingspunten voor onderzoek? Welke alternatieve benaderingswijzen zijn voorhanden voor een beter begrip van oorlog in al zijn complexiteit en met zijn vaak aangehaald kameleonachtig karakter? Missen we niet essentiële andere dimensies als we de aard van oorlogvoering willen doorgronden – wellicht ook met een schuin oog naar de toekomst?

Voor ik mij in het conceptuele moeras begeef, allereerst de praktijk. Voor een militair historicus liggen de voorbeelden van overlap en samenhang tussen irreguliere en reguliere dimensies van oorlog namelijk voor het oprapen. Soms op verassende plekken. Mijn eerste confrontatie met dit fenomeen was namelijk ruim veertig jaar geleden tijdens het lezen van Thea Beckmans Geef me de ruimte. Het fictieve verhaal over troubadours speelt zich af tegen de achtergrond van de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) in Frankrijk. Een sleutelrol is weggelegd voor de historische figuur Bertrand du Guesclin, die in de 14e eeuw met guerrillatactieken van hinderlagen en kleine acties de schijnbaar hopeloze Franse strijd tegen de Engelsen nieuw leven inblies. Dit na de verpletterende nederlagen bij Crécy en Poitiers. Een ‘savior general’ dus, die guerrillastrijd omhelsde om de Engelsen te slim af te zijn – en vervolgens net zo makkelijk reguliere ridderlegers en belegeringen leidde.

En neem als vroegmodern voorbeeld onze eigen Tachtigjarige Oorlog. Hierover schreef de historicus Geoffrey Parker al dat historici zich lang blindstaarden op belegeringen, veldslagen en grote manoeuvres.[22] Net als op elke oorlogskaart zien we een duidelijke lijn tussen het Staatse Leger en de Spanjaarden, als ware het een loopgravenstelsel in 1916. In feite waren de frontlinies lange tijd poreus en woedde daarachter een permanente staat van guerrilla- en partizanenstrijd door irreguliere troepen.[23]

Maken we de sprong naar de revolutionaire en Napoleontische oorlogen, dan biedt de Franse opstandbestrijding een heuse mer à boire. Denk hierbij zowel aan autonome opstanden in bijvoorbeeld de Franse Vendée en het Italiaanse Calabrië, als aan de met grootschalige militaire operaties vervlochten campagnes in Spanje en Rusland. Anders dan vaak is gezegd, filosofeerde Clausewitz rond deze tijd wel degelijk over oorlog in de zijstroom. Daarbij maakte hij het belangrijke onderscheid tussen ‘Volkskrieg’, of wat wij nu insurgency zouden noemen, en de ‘partizanenstrijd’ van irreguliere strijders in samenwerking met het reguliere leger.[24] Aan de overzijde van de oceaan waren het de Amerikaanse Revolutie en later de Burgeroorlog die we vooral kennen van grote veldslagen, maar waar het aandeel van partizanen en guerrilla’s enorm was.[25] 

De Quantrill’s Raiders, een Zuidelijke guerrillagroep, richten een bloedbad aan onder de burgerbevolking van Lawrence, Kansas, tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Foto wikimedia commons

Bij veel oorlogen is er sprake van volgtijdelijkheid, zoals in Irak vanaf 2003: guerrilla na een reguliere fase of juist andersom, soms met een periode van overlap. Bekende voorbeelden zijn de Frans-Pruisische Oorlog (1870-1871) of de Boerenoorlog (1899-1902). Het neemt natuurlijk allemaal niet weg dat ‘de grote oorlog’ veelal doorslaggevender was dan ‘de kleine oorlog’. Niemand zal ontkennen dat in beide Wereldoorlogen reguliere strijd de sleutel vormde tot de uitkomst. Toch ook hier weer: de rol van de irreguliere Arabische Opstand in het Midden-Oosten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dit parallel aan de Britse opmars tegen de Turken – voor een wereldwijd publiek geromantiseerd in de film Lawrence of Arabia met T.E. Lawrence als ‘white savior’. En dan is er nog de partizanenstrijd aan het Oostfront en op de Balkan tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Verleggen we onze aandacht verder naar Azië, dan overheerst de nexus regulier-irregulier in de Chinese burgeroorlog (1927-1949) en de Japans-Chinese oorlog (1937-1945). Het was de bakermat van Mao’s ‘People’s War’ met zijn driestapmodel van volksmobilisatie via guerrilla naar conventioneel offensief. De Vietnamezen herhaalden het model zowel tegen de Fransen als de Amerikanen. De zegevierende Vietnamese guerrilla op slippers met een AK-47 mag de beeldvorming domineren, maar ook tegen de Amerikanen speelden complete, goed getrainde reguliere regimenten met artillerie-ondersteuning een minstens zo belangrijke rol – een volledig vervlochten reguliere en irreguliere strijd dus. In Azië kunnen we uiteraard ook niet om de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog heen, met korte reguliere offensieven – de Nederlandse ‘politionele acties’ – gevolgd door slepende guerrillafasen waarin de meeste slachtoffers vielen.

Een dergelijk historisch overzicht wekt de indruk dat ‘zuivere’ reguliere oorlogvoering eerder uitzondering dan regel is. Veel van de voorbeelden zijn ook bekend, maar onze neiging tot compartimentaliseren – oftewel hokjesdenken – ontneemt ons vaak het zicht op de complexere historische werkelijkheid. Dit wordt versterkt door een sterke top-downbenadering van oorlogsonderzoek, die typen strijd en rigide fasen oplegt aan de troebele werkelijkheid. Benaderen we oorlog meer van onderop, dan ontstaat er tijdelijk en plaatselijk vaak een ander beeld. Neem het voorbeeld van een Nederlandse compagnie na de zogeheten Eerste Politionele Actie medio 1947. Deze landmachtmilitairen hadden meegedaan aan dit overdonderende reguliere offensief, maar nauwelijks gevechtsoperaties van enige betekenis meegemaakt. Enkele weken later moesten ze tijdens de guerrillafase slag leveren met eenheden van de Siliwangi-divisie bij Barutunghul ten zuiden van Bandung. Daarbij verloren ze zes man en moesten ze zich in wanorde terugtrekken. Dit ondanks de 450 verschoten artilleriegranaten en luchtsteun van Mustang-gevechtstoestellen.[26]

Heeft dan niemand een concept bedacht om deze complexe realiteit te benaderen? Toch wel, maar ook aan de term ‘hybrid warfare’ die Frank Hoffman in 2007 lanceerde zitten haken en ogen. Hoffman wees op de verassend succesvolle strijdwijze van Hezbollah tegen het Israëlische leger in Libanon in 2006 en hij verzette zich tegen de rigide doctrinaire scheiding tussen ‘regulier’ en ‘irregulier’ van het Pentagon. De essentie van hybride oorlogvoering was volgens hem het samengaan van verschillende strijdwijzen en actoren, waarbij vooral reguliere en irreguliere strijdkrachten en mogelijk criminele en terroristische elementen ‘operationeel geïntegreerd en tactisch gefuseerd’ waren in hetzelfde oorlogstheater.[27] Wat ik voor het gemak ‘hybride oorlogvoering 1.0’ noem, wekte alleen nauwelijks academisme of praktische interesse. Irak en Afghanistan domineerden alles en leken meer op klassieke, ‘zuivere’ irreguliere strijd.[28]

Dat veranderde radicaal nadat de NAVO de term in 2014 had omhelsd om Russische operaties op de Krim en in de Donbas te duiden. Dit waren overigens twee compleet verschillende typen strijd die weinig met hybrid warfare 1.0 te maken hadden. Een valide concept transformeerde zo in hoog tempo in een academische en doctrinaire modegril. Het dreef niet alleen af van daadwerkelijke oorlogvoering, maar absorbeerde ook onderwerpen als desinformatie en beïnvloeding. In essentie draait het vaak om drie klassieke functies in interstatelijke competitie: spionage, sabotage en subversie. Nieuw ten opzichte van bijvoorbeeld de Koude Oorlog is vooral de toevoeging van het cyberdomein. Toch werd hybrid warfare dé manier om naar een belangrijk deel van het Russische buitenlandse beleid te verwijzen.[29]  

Een derde dimensie: bezetting

Anders dan de ongrijpbare 2.0-variant is de originele 1.0 variant van hybride oorlogvoering dus wel degelijk een nuttig concept. Niet omdat het op iets nieuws wijst, maar juist omdat het ons bewust maakt van een relevant fenomeen in het verleden en heden. Helaas heeft de populaire 2.0-variant het begrip besmet. Bovendien ontbreekt er volgens mij een belangrijke derde dimensie als we al die oorlogen die tot nu toe de revue passeerden willen doorgronden: militaire bezetting. Dat is ook weer zo’n taak waar militairen en strategische denkers hun neus voor ophalen en die ze voor het gemak negeren. Over het belang van bezetting en militair gezag schreef de Britse historicus F.S.V. Donnison in 1966 in de officiële Britse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog: ‘Modern war consumes governments and administrations in its path, leaving anarchy and chaos behind. If authority and the necessary minimum order and administration are not at once re-established, disorder and subversion can all too quickly erode the victory that has been won in the field’.[30]

Ik las Donnison ruim twintig jaar geleden tijdens het schrijven van mijn proefschrift over vredesoperaties. In Irak ontvouwde zich op dat moment exact dit doemscenario. Wat tot de verovering van Bagdad een Amerikaanse hightech-zegetocht was, ontaardde in een lowtech- guerrilla-slijtageslag en een orgie van geweld. Naast zelfoverschatting was vooral de abominabele voorbereiding op de bezetting hier debet aan. 

Wat voor mij voorop staat is de driehoeksverhouding tussen reguliere-, irreguliere- en bezettingsoperaties. Ik ben dan ook minder geïnteresseerd in de internationaal juridische of normatieve benadering van bezetting. Mij gaat het vooral om bezetting in de zin van vreemde overheersing in het kielzog van een militaire opmars. Een succesvolle opmars, gevolgd door een falende bezetting, leidt vaak tot irregulier verzet. Succesvolle bezetting, hardvochtig of welwillend, smoort verzet in de kiem, enzovoort.

Laat ik de relevantie van de driehoeksverhoudig duiden aan de hand van de oorlog in Oekraïne, maar dan in de vorm van een historisch what if-scenario. Counter-factual history is het schemergebied waarop weinig professionele historici zich openlijk begeven, maar waar wij wel constant stiekem rondscharrelen. Veel van de beste onderzoeksvragen en hypothesen zitten er immers verstopt. De Oekraïne-oorlog bezegelde wat nu lijkt op een definitieve heroriëntatie van Europese krijgsmachten op het grote reguliere gevecht. Maar het had heel anders kunnen lopen.

Stel dat de Russische krijgsmacht bij zijn offensieve operaties in 2022 zijn initiële militaire doelen wel had bereikt? Als de Russen dus zo succesvol waren geweest als iedereen verwachtte – inclusief president Joe Bidens ‘Tiger Team’. Deze strategische planners en inlichtingenanalisten voorspelden de tijd, plaats en schaal van de Russische invasie volledig correct; voor vrijwel al het andere hadden we het bij het verkeerde eind, gaven ze toe.[31] Ze overschatten het Russische leger en onderschatten Oekraïne’s capaciteiten en vastberadenheid. 

Daarom bereidden de Amerikanen eind 2021 al grootschalige steun aan een Oekraïense guerrillacampagne voor. Het doel: van Oekraïne Moskou’s ‘tweede Afghanistan’ te maken.[32] Waren de voorspellingen namelijk uitgekomen en was het land van 44 miljoen inwoners geheel of grotendeels overlopen, dan hadden de 120.000 troepen waarschijnlijk niet veel meer dan de steden en verkeersaders kunnen controleren. Had zo’n falend bezettings-scenario als in Irak in 2003 of Indonesië 1947-1949 zich ontvouwd, dan was de NAVO nu waarschijnlijk op ongekende schaal een Oekraïense guerrilla aan het steunen. Stelt u zich overigens eens de vraag: welke NAVO-landen werken het hardst aan een ondergrondse verzetsbeweging op dit moment? Juist, dat zijn de Baltische staten met hun lange geschiedenis van verzet tegen de Sovjet-Unie, maar ook de Polen en Finnen staan op scherp rond dit thema. Ook in West-Europa is weer meer aandacht voor de geheime stay-behind-organisaties uit de tijd van de Koude Oorlog.[33]

Het wijst er allemaal op dat wat zich direct achter de frontlinie van een opmars afspeelt, integraal moet worden meegenomen in de analyse van oorlog en oorlogvoering. En laten we niet vergeten dat juist veel van het geweld tegen non-combattanten in het kielzog van een opmars plaatsvindt en tijdens een bezetting. De angst voor irreguliere tegenstanders zou wel eens een factor kunnen zijn geweest bij de Russische moordpartij en terreur in het Oekraïense Boetsja, net zoals de paranoia over francs-tireurs de oprukkende Duitsers dreef tot het doden van ruim zesduizend Belgische burgers in 1914.

Koloniaal geweld als sui generis categorie?

Dit brengt mij bij het derde en laatste deel van mijn rede. Hierbij verleg ik de focus van het karakter van oorlogvoering naar de karakterisering en classificatie van geweld binnen een oorlog. De aandacht voor irreguliere oorlogvoering mag dan tanende zijn binnen krijgswetenschappen, binnen de geschiedwetenschap is zij nog zeer levend. Historici richten zich daarbij echter vrijwel uitsluitend op extreme geweldpleging, vaak in het koloniale domein.

De vraag die mij al enige tijd bezighoudt is of koloniaal geweld een unieke vorm van geweld in oorlog is, zoals regelmatig beweerd en vaker gesuggereerd. Is het anders dan in ‘gewone oorlogen’ in de zin dat het racistisch gemotiveerd, performatief en gericht is op moreel effect? Een belangrijke historische stroming, die ik zal aanmerken als de ‘savage warfare-school’, betoogt dit, vooral door zich te concentreren op Brits, Frans, Duits en Nederlands geweld tijdens het moderne imperialisme (1870-1914).[34] 

Op veel punten zit ik met deze onderzoekers op één lijn: we benadrukken de extreme gewelddadigheid tijdens koloniale oorlogen en onderkennen het inherente racisme en de gewelddadigheid van het koloniale systeem. We breken ook nadrukkelijk met de traditie van wat ik met Bart Luttikhuis ‘de ranglijst van barbarij’ heb aangemerkt in ons vergelijkend dekolonisatieonderzoek: veel meer dan de verschillen tussen kolonisatoren overheersten de overeenkomsten in de geweldspraktijk.[35] Problematisch aan het verbijzonderen van koloniaal geweld in zijn racistische logica en extremiteit is echter dat het meestal gebeurt zonder een structurele vergelijking met extreem oorlogsgeweld in niet-koloniale contexten.

Kijken we van de Napoleontische oorlogen tot aan de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatiegolf, dan zien we een hoge mate van continuïteit van ongeremde wreedheid tegen non-combattanten tijdens en buiten gevechtssituaties. Dus ook buiten koloniale contexten zonder raciale scheidslijnen. Neem de vernietigende Franse onderdrukking van de religieus gedreven anti-revolutionaire opstand in de Vendée. Of de guerrillabestrijding onder Napoleon in het Italiaanse Calabrië met een in die tijd ‘ongeëvenaard niveau van wreedheid’, inclusief gruwelijke collectieve bestraffing, demonstratieve onthoofdingen voor moreel effect en met radicaal afgedwongen voedselontkenningsprogramma’s. Honger als wapen is van alle tijden en een favoriet wapen tegen irreguliere tegenstanders.[36]

Laten we de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) bij de vergelijking betrekken. Ook hier zien we hoe Noordelijke troepen brute counterinsurgencytactieken hanteerden, die overigens gedeeltelijk waren afgeleid van Franse razzia’s in koloniaal Algerije. Deze waren zoals gezegd op hun beurt weer geïnspireerd door Napoleontische guerrillabestrijding. De overdracht van ideeën tussen metropool en koloniën was dus een constant tweerichtingsverkeer.[37] Berucht is generaal Shermans vernietigende ‘March to the sea’ na de inname en gedeeltelijke verbranding van Atlanta in 1864. Deze campagne raakte de Zuidelijke bevolking ongekend hard. Mede hierom is deze oorlog als een vroeg voorbeeld van ‘totale oorlog’ gekwalificeerd: oorlog waarbij de grenzen tussen militairen en burgers, combattanten en non-combattanten vervagen – net als in koloniale oorlogen.[38]

De Boerenoorlog (1899-1902) biedt een cruciale ‘laboratoriumomgeving’ voor onderzoek naar ‘koloniaal geweld’, want uitgevochten in een koloniale context, maar grotendeels tussen Europeanen. Britse methoden tegen de Afrikaners behelsden collectieve bestraffing, grootschalige farm burning en massadetentie van vrouwen en kinderen met enorme sterftecijfers door verwaarlozing. Met zijn transformatie van reguliere naar irreguliere oorlogvoering na 1900 roept de Boerenoorlog ook een andere belangrijke vraag op: was de primaire aanjager van geweld de aard van het koloniale systeem met zijn inherente racisme – of was het de aard van de irreguliere strijd met zijn vage scheidslijn tussen combattanten en non-combattanten? Net als in de bovengenoemde campagnes was het scheiden van de guerrillastrijders van de bevolking steeds het centrale aangrijpingspunt.

De Duitse paranoia over francs-tireurs in België in 1914 leidde tot brute contraguerrillatactieken die door de Geallieerden nog eens werden uitvergroot voor propagandadoeleinden [The Germans Arrive, George Bellows, 1918].  Foto wikemedia commons

De Boerenoorlog toont ook aan dat ‘othering’ vele vormen kan aannemen. De Britse bevelhebber Lord Kitchener sprak over de Boeren als ‘uncivilized Afrikander savages with a thin white veneer’,[39] net zoals generaal Sherman tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog de Zuidelijke guerrilla’s en partizanen omschreef als ‘white savages’ en ‘no soldiers but wild animals’.[40] De latere fase van de Frans-Pruisische Oorlog en de – overigens ongefundeerde – Duitse angst voor francs-tireurs in België in 1914 getuigen van brute contraguerrillatactieken.[41] Maar deze maatregelen waren ook in Europese oorlogen verre van uitzonderlijk voor die periode. [42] Het contrast tussen de juridische bescherming van strijders en bevolking in Europese oorlogen en het totaal gebrek daaraan in de koloniën is vaak aangehaald als verklarende factor voor het extreme geweld in de koloniën, maar Sybille Scheipers benadrukt de overeenkomsten: ‘De notie van irreguliere oorlogvoering en de illegaliteit van de irreguliere strijders’ was volgens deze Duitse expert in irreguliere oorlogvoering juist ‘een rode draad die Europese en koloniale oorlogvoering met elkaar vervlocht’.[43]

Het is in deze context ook opmerkelijk dat Nederlandse militairen in Indonesië hun eigen optreden vergeleken met de represailles en marteling door de nazi’s. ‘We zijn hier net een Duits bezettingsleger’, schreef een luitenant in 1947, ‘alleen werkt de ondergrondse hier beter’. Verrassender nog is dat sommige dagboekschrijvers parallel aan de morele veroordelingen de logica aanvaardden van de naziterreur – juist vanwege hun ervaring met verzetsbestrijding op Java en Sumatra. Over het massaal platbranden van kampongs en het feit dat ‘geen enkele gevangene’ het er levend vanaf bracht, schreef een sergeant: ‘Dezelfde heren die in de oorlog de Duitse methodes zo verachtten, passen ze nu zelf toe. Maar ze moeten het wel zo doen, want anders krijgen ze de extremisten er niet onder’. Een ander schreef over een massale moordpartij als vergelding in 1946: ‘Het doet me wel denken aan Putten. Maar het is de enigste manier om de rust te bewaren’.[44]

De geweldsculturen in de koloniale context en tijdens totale oorlogen in Europa zijn op meer manieren gelieerd en bieden meer mogelijkheden tot vergelijken. Denk aan de nadruk op het psychologisch effect bij een massale inzet van zware wapens als artillerie en het luchtwapen die mede werd gevoed door ervaringen van de Geallieerden.[45] De massale schaal waarop Britse en Canadese militairen in de Eerste Wereldoorlog Duitse straffeloos gevangenen executeerden – zo blijkt uit nieuw dagboekonderzoek – roept ook vragen op rond de nadruk op de verschillen tussen deze oorlogsmisdaden in koloniale en andere contexten.[46]

Na te zijn afgedaald naar de rauwe oorlogspraktijk in de kampongs en de loopgraven, is het tijd om weer uit te zoomen. Richten we ons alleen op het nauwe tijdsbestek van het moderne imperialisme, dan zien we dat in West-Europa geen oorlogen woedden en al helemaal geen totale oorlogen met existentiële belangen. Laten we het na om breder te kijken, dan dreigt er een te scherp contrast te ontstaan tussen koloniale wreedheid en een geïdealiseerde Europese gentleman’s war die nooit heeft plaatsgevonden.

Rest de cruciale vraag: waar begint en eindigt het koloniale domein? Veel van wat deze conflicten verbindt is de centrale rol van bezetting in de zin van vreemde overheersing – vaak in combinatie met opstand en irreguliere oorlogvoering. Denk ook hier weer aan die driehoek: regulier, irregulier en bezetting. Daarnaast kunnen we dit debat over de bijzondere aard van ‘koloniaal geweld’ niet voeren zonder de gewelddadige dynamiek van burgeroorlogen bij de vergelijking te betrekken. Denk hierbij aan de Spaanse, Finse en Griekse burgeroorlogen en de vele Balkanoorlogen. Of denk aan al die andere extreem gewelddadige binnenlandse conflicten waar othering een sleutelrol speelde langs ideologische, religieuze of andere breuklijnen.[47]

Laat ik nog eens benadrukken dat ik ervan overtuigd ben dat koloniale en raciale stereotyperingen drempelverlagend werken bij geweldsaanwending. Koloniale officieren rationaliseerden hun wandaden overduidelijk op deze manier – zowel ex post als ex ante. Mijn aannames zijn bovendien zeker niet in beton gegoten. Zo moet ik bekennen dat, na de slachtpartij van 7 oktober 2023 door Hamas, de Israëlische manier van oorlogvoering en vergelding me aan het denken hebben gezet – bovenal door de koloniale connotatie van het conflict en de mix van militaire en genocidale logica recent in Gaza.[48]

Kijken we weer breder, dan plaats ik dus nadrukkelijk geen vraagtekens bij de invloed van racisme; wel bij de centrale rol die het wordt toegedicht bij de verklaring van extreme geweldpleging in koloniale oorlogen. Is in de bredere geschiedenis de kloof met andere interstatelijke conflicten of burgeroorlogen wat betreft schaal, aard en motivering daadwerkelijk zo groot?

Een nadrukkelijkere, meer structurele vergelijkende blik op de militaire geschiedenis zou wel eens kunnen aantonen dat er meer gelijkenissen zijn; zeker als we daarbij oorlogvoering ook nog eens nadrukkelijker ‘van onderaf’ onderzoeken. Hoe dichter we in oorlog afdalen naar de grond, dus naar het niveau van de militair of een burger in oorlog, hoe meer de scheidslijnen vervagen tussen categorieën als regulier versus irregulier of koloniaal versus niet-koloniaal.[49] Drijfveren voor excessief geweld in oorlog zijn wellicht vaker dan we denken heel banaal, pragmatisch, emotioneel of opportunistisch. Meer onderzoek in egodocumenten, zoals dagboeken en brieven, kan cruciaal zijn voor een dergelijk begrip van oorlog. Aan de bekende oproep van de New Military Historians daartoe is de afgelopen decennia gehoor gegeven, maar nog lang niet genoeg.[50]

In meer algemene zin vraag ik me af hoe en in hoeverre discoursen rond oorlog de wijze van oorlogvoering daadwerkelijk drijven; dus hoe soldaten vechten, doden en vernietigen. Bij discours denk ik zowel aan het waarom we ten oorlog gaan, vechten en bezetten, als aan de gewenste of geïdealiseerde vorm van oorlogvoering. Leunen de savage warfare-historici bij het verklaren van extreem geweld in de koloniale context niet al te zeer op het discours rond oorlog? Trappen we zo niet in dezelfde val als de counterinsurgency-onderzoekers die het ‘hearts and minds’-narratief te veel invloed toedichten aan de zogeheten verlichte praktijk? Creëren we met de nadruk op de verschillen bovendien geen nieuwe ‘ranglijst van barbarij’: nu tussen de koloniale geweldenaren en… ja, wie eigenlijk precies?[51]

Ten slotte bestaat er ook nog het gevaar dat we extreem geweld exotiseren door verklarenderwijs te hard op die knoppen ‘koloniaal’ en ‘racisme’ te drukken. Maken we er zo niet teveel iets van wat ‘daar’ in een ‘ver verleden’ gebeurde, onder de uitzonderlijke omstandigheden van het westerse koloniale systeem? Dit rijmt niet met mijn duistere vermoedens voor het heden en de toekomst. Het zal duidelijk zijn dat ik als militair historicus neig naar het ‘deëxceptionaliseren’ van koloniaal geweld. Toch beschouw ik het bovenal als een debat dat het waard is om gevoerd te worden, omdat het ons inzicht kan bieden in de aard van oorlogvoering en geweld.

Besluit

Ik kom tot mijn besluit, met daarbij allereerst aandacht voor de contemporaine relevantie. De drie geschetste aandachtsgolven voor irreguliere oorlogvoering hebben geen voorspellende waarde. Dat neemt echter niet weg dat het onverstandig lijkt als westerse krijgsmachten een historisch dominante vorm van oorlog te veronachtzamen in onderwijs, onderzoek en doctrinevorming. Voor toch al sterk groeiende Europese krijgsmachten vormt dit geen wezenlijke concurrentie voor hun gereedheid voor de zogenoemde hoofdtaak 1. Voorbereiding op irreguliere oorlogvoering valt grotendeels in het kennisdomein – dat van de intellectuele krijger – en niet in het fysieke domein. De rol van historici hierbij zou die kunnen zijn van de applied historian, die historisch onderbouwd inzicht geeft in hedendaagse vraagstukken van beleid tot tactiek. Maar meer nog dan een toegepaste rol in instrumentalistische ‘how to’-vorm, zou de militair historicus de poortwachter moeten zijn tegen wensdenken en selectief leren door anderen. Dit kan gaan om opstandbestrijding of juist de voor Europa steeds relevantere omkering: verzet tegen vreemde overheersing en hulp aan gewapende opstanden. Ook daarbij dienen we cherry picking en mythevorming te mijden.

Mijn primaire waarschuwing is echter academisch van aard en betreft de neiging tot rigide compartimentalisering van ons denken over oorlogvoering en geweld. Concepten zijn veelal noodzakelijke stereotyperingen. Een te sterk geloof in hun capaciteit de werkelijkheid te vatten kan echter leiden tot overdreven contrastering die ons begrip vertroebelt. Dergelijke compartimentalisering en contrastering van irregulier-regulier en de kloof tussen koloniaal en niet-koloniaal geweld is wat de twee deelonderwerpen van mijn rede met elkaar verbindt.

Wat deze twee thema’s verder verknoopt is de analytische verwarring die voortkomt uit een kloof tussen theorie en praktijk. Preciezer: de interactie tussen hoe oorlog is voorgesteld, geconceptualiseerd en geïdealiseerd en hoe oorlog daadwerkelijk wordt uitgevochten. Culturele voorkeuren creëren blinde vlekken, zowel bij de voorbereiding op oorlog als bij historische analyse achteraf. Toekomstige onderzoekers doen er goed aan voort te bouwen op John Lynns klassieke studie Battle. A History of Combat and Culture (2003). Lynn beschrijft hierin de zojuist aangekaarte wisselwerking tussen het ‘discours’ en de ‘realiteit’ van oorlog. Zijn benadering behoort tot de cultural turn in militaire geschiedenis en is vaak bejubeld, maar zijn discourse-reality-model is vooralsnog niet serieus getest aan de hand van andere casuïstiek. Vanuit Leiden gaan we in samenwerking met de Nederlandse Defensieacademie juist hiervan werk maken.

Omdat een te eenzijdige top-downbenadering van oorlog conceptuele verkokering in de hand werkt, pleit ik daarbij nadrukkelijk voor een benadering waarbij oorlog nog meer van onderop wordt onderzocht. Onderzoek naar de rauwe tactische realiteit en persoonlijke beleving, door meer en beter gestructureerd onderzoek in militaire egodocumenten, kan daarbij helpen. Het is juist dit type onderzoek waarmee mijn studenten hier in Leiden vertrouwd raken en waarmee mijn promovendi aan de slag gaan.

* Thijs Brocades Zaalberg is bijzonder hoogleraar Militaire Geschiedenis aan de Universiteit Leiden en universitair hoofddocent aan de Nederlandse Defensie Academie.

[1] In de Defensienota 2000 introduceerde het ministerie van Defensie drie hoofdtaken voor de krijgsmacht: hoofdtaak 1: bescherming van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten; hoofdtaak 2: bevordering van de (internationale) rechtsorde en stabiliteit; en hoofdtaak 3: ondersteuning van civiele autoriteiten. Irreguliere oorlogvoering uitgevoerd als counterinsurgency of stabilisatieoperatie wordt doorgaans geassocieerd met hoofdtaak 2, maar heeft geen duidelijke plaats in deze indeling.  

[2] De term conventionele oorlogvoering is in de Koude Oorlog vaak gebruikt om te contrasteren met nucleaire oorlogvoering en is daarom minder geschikt als tegenhanger van irreguliere oorlogvoering.

[3] S. Davies, T. Pettersson, M. Sollenberg en M. Öberg, ‘Organized violence 1989–2024, and the challenges of identifying civilian victims’, Journal of Peace Research, 62-4 (2025) 1223-1240.

[4] Extreem geweld omvat ook oorlogsmisdaden, maar is een breder begrip. Voor een completere definitie van de term ‘extreem geweld’ zoals gebruikt in het ODGOI-onderzoek zie: Gert Oostindie e.a., Over de grens. Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949 (Amsterdam, 2022) 107.

[5] Irreguliere oorlogvoering dreigde verkaveld te raken tussen de op de leest van de nieuwe NAVO-campagnethema’s geschoeide vakken ‘warfighting’, ‘security’ en ‘peace support’. Zie: NATO Allied Joint Doctrine, AJP-01 (Brussel, 1 december 2022).

[6] Martin van Creveld, ‘Through a Glass, Darkly’, Naval War College Review, Vol. 53, No. 4 (2000) 41.

[7] Voor ‘war amongst the people’ zie: Rupert Smith, The Utility of Force. The Art of War in the Modern World  (2005).The Art of War in the Modern World

 Brian Linn, Real Soldiering. The US Army in the Aftermath of War, 1815-1980 (Lawrence, 2023).

[8] Tekenend was de versie uit 1996 van de ‘sluitsteen-doctrinepublicatie’ Field Manual 100 van het Amerikaanse leger, waarin nog maar 11 regels van de 163 pagina’s over insurgency en counterinsurgency gingen.

[9]  Petra Groen, Buiten de militaire orde (Universiteit Leiden, 1995).

[10] Mijn promotor Ger Teitler sprak in zijn oratie als eerste over militair denken ‘in de hoofdstroom’: G. Teitler, Grensbeveiliging en grensverlegging. Een verkenning van een grensgebied (Breda, 1993) 6; zoals geciteerd in: Petra Groen, Buiten de militaire orde, 5; Clausewitz was in de jaren negentig vrijwel alleen bekend als de hogepriester van strategie in het grootschalige, reguliere gevecht tussen staten. Anders dan de ‘New Wars’ denkers als Mary Kaldor en de bovengenoemde Van Creveld beweerden, was de Pruisische strategisch denker door zijn axioma ‘oorlog is het product van de drie-eenheid staat-leger-bevolking’ volgens Groen nog altijd zeer relevant, ook voor het denken over ‘de militaire zijstroom’. 

[11] Door de aard van het onderwerp en de tijdsbeperking krijgt het onderdrukken van opstanden en het geweld dat daarmee samengaat voorrang op de aard van gewapend verzet tegen overheersing en zal daarmee een westers perspectief domineren.

[12] Michael Howard, ‘The use and abuse of military history’, Parameters 11-1 (1981).

[13] In Nederland is dit bekend geworden als de 3D-benadering van Defence, Diplomacy en Development en vaak verkocht als een unieke Dutch Approach.

[14] Azarja Harmanny, ‘De mythe van de ‘Hollandsche methodiek’. Zware wapens in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog’, in: Gert Oostindie e.a., Over de grens. Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949 (Amsterdam, 2022).

[15] Thijs Brocades Zaalberg, ‘The Use and Abuse of the ‘Dutch Approach’ to Counter-Insurgency’, Journal of Strategic Studies, Vol. 36, No.6 (2013) en Thijs Brocades Zaalberg en Arthur ten Cate, ‘A Gentle Occupation. Unravelling the Dutch approach in Iraq, 2003-2005’, Small Wars and Insurgencies, Vol. 23, No. 1 (2012).

[16] Slangenolie verwijst naar een citaat van de Britse diplomaat Sherard Cowper-Coles, Cables from Kabul: The Inside Story of the West’s Afghanistan (Londen, 2012) 144.

[17] Voor ‘koloniale echoput’ zie Harm Stevens’ recensie van Vilan van der Loo’s Van Heutsz-biografie Uit naam van de majesteit (Amsterdam, 2020). Hierin karakteriseert Stevens haar weinig kritische onderzoeksmethode op deze wijze.

[18] Het was een systeem van onderdrukking en terreur waar uiteindelijk ook Snouck zich tegen zou verzetten, zij het rijkelijk laat. Petra Groen, Anita van Dissel, Mark Loderichs, Rémy Limpach and Thijs Brocades Zaalberg, Krijgsmacht en kolonie. Opkomst en ondergang van nederland als koloniale mogendheid (Amsterdam, 2021).

[19] Vrij naar: David Martin Jones and M. L.R. Smith, ‘Whose Hearts and Whose Minds? The Curious Case of Global Counter-Insurgency’, Journal of Strategic Studies Vol. 33, No. 1 (2010) 81-121.

[20] Colin S. Gray, Another Bloody Century. Future Warfare (Londen, 2005).

[21] Frank G. Hoffman, ‘The Contemporary Spectrum of Conflict. Protracted, Gray Zone, Ambiguous, and Hybrid Modes of War’, (The Heritage Foundation, 2016) 25-36.

[22] Geoffrey Parker, The Army of Flanders and the Spanish Road (Cambridge, 1972) 12-18.

[23] Tijdens de parallelle Dertigjarige Oorlog was dit veelal niet anders, al zal de mate van afstemming met de centrale legerleiding hier zelfs minder en het criminele gehalte nog hoger zijn geweest. Voor de terminologie rond irreguliere strijders en strijdkrachten zie: Beatrice Heuser, ‘Introduction. Exploring the jungle of terminology’, Small Wars & Insurgencies, Vol. 25, No. 4 (2014) 741-753.

[24] Zie onder meer Beatrice Heuser, ‘Small Wars in the Age of Clausewitz: The Watershed Between Partisan War and People’s War’, Journal of Strategic Studies Vol. 33, No. 1 (2010) 139-62.

[25] Daniel E. Sutherland, ‘The Union’s Counterguerrilla War, 1861-1865’, in: Peter Mansoor, Hybrid Waffare. Fighting Complex Opponents from the Ancient World to the Present (New York en Cambridge, 2012).167. Zie ook: Daniel E. Sutherland, A Savage Conflict. The Decisive Role of Guerrillas in the American Civil War (Chapel Hill, 2008).

[26] Thijs Brocades Zaalberg, ‘In de Oost’, in: Ben Schoenmaker (red.), 200 jaar Koninklijke Landmacht, 1814-2014  (Amsterdam, 2014) 149.

[27] Frank G. Hoffman, Conflict in the 21st Century. The Rise of Hybrid Wars (Arlington, 2007) 29.

[28] Belangrijke uitzondering was de historische bundel van Murray en Mansoor, die de historische continuïteit benadrukt en ook voor deze oratie is gebruikt. Zie: Williamson Murray en Peter Mansoor, (red.), Hybrid Warfare. Fighting Complex Opponents from the Ancient World to the Present (New York en Cambridge 2012).

[29] Voor een zeer scherpe analyse van dit proces zie: Chiara Libiseller, ‘‘Hybrid Warfare’ as an Academic Fashion’, Journal of Strategic Studies Vol. 46, No. 4 (2023) 858-80. Verwarrend was dat hybride oorlogvoering vaak werd vervangen door of inwisselbaar werd gebruikt met termen als hybride dreigingen of hybride conflict.

[30] F.S.V. Donnison, Civil Affairs and Military Government. Central organization and planning (Londen, 1966) 341.

[31] Alexander Bick, ‘Planning for the Worst. The Russia-Ukraine ‘Tiger Team’’, in: Hal Brand, War in Ukraine. Conflict, Strategy, and the Return of a Fractured World (Baltimore, 2014) 139.

[32] David Ignatius, ‘The Biden Administration Weighs Backing Ukraine Insurgents If Russia invades’, Washington Post, 19 december 2021.

[33] Martijn Rouvroije, ‘The Resistance Operating Concept. Towards Modern-Day People’s War’, in: Monica den Boer, Jan Willem Honig, Marten Zwanenburg en Joep Aarts (red.), Who Owns War? The State and the Role of Non-State (Armed) Actors in Modern Warfare (Leiden, 2025) 77-98.

[34] Een prominente vertegenwoordiger van deze school is Kim Wagner. Zie onder meer Kim A. Wagner, ‘Savage Warfare: Violence and the Rule of Colonial Difference in Early British Counterinsurgency’, in: History Workshop Journal, Vol. 85 (2018) 217-237. Zeer recent verscheen in deze lijn de handelseditie van het indrukwekkende proefschrift van Tom Menger, The Colonial Way of War Violence and Colonial Warfare in the British, German and Dutch Empires, c.1890-1914 (Cambridge, 2025).

[35] Een eerste aanzet tot dit betoog tegen het te sterk verbijzonderen van koloniaal geweld schreef ik met Bart Luttikhuis. Zie: Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis (red.), ‘Beyond the League Table of Barbarity.  Comparing Extreme Violence during the Wars of Decolonization’, in: Empire’s Violent End. Comparing Dutch, British and French Wars of Decolonization, 1945-1962 (Ithaca, 2022). Deze vergelijkende studie is zeer positief gerecenseerd, maar de twee pagina’s over het ‘deëxceptionaliseren’ van koloniaal geweld riepen onder enkele recensenten de nodige weerstand op.

[36] Milton Finley, The Most Monstrous of Wars. The Napoleonic Guerrilla War in Southern Italy, 1806-1811 (Columbia, 1994).

[37] Tim Roberts, ‘Hidden French Influences on American Counterinsurgency Warfare’, paper delivered at the Society for Military History Conference 2022 Fort Worth, USA. See also: Clay Mountcastle, Punitive War. Confederate Guerrillas and Union Reprisals (2009). Voor kennisoverdracht van Napoleons strijd in Spanje naar Algerije zie ook: Michael Finch, A Progressive Occupation? The Gallieni-Lyautey Method and Colonial Pacification in Tonkin and Madagascar, 1885-1900 (Oxford, 2013) 41. 

[38] Totale oorlog is een oorlog waarin de hele bevolking en alle middelen van de strijdende partijen zich inzetten voor de volledige overwinning en zo legitieme militaire doelen worden.

[39] Thomas Pakenham, The Boer War (Londen 1979) 500.

[40] Sutherland, ‘The Union’s Counterguerrilla War’, 169.

[41] John Horne en Alan Kramer, German Atrocities 1914. A History of Denial (New Haven, 2001).

[42] Voor de omstreden these over een unieke Duitse methode van oorlogvoering en Duitse continuïteit van hun koloniale oorlogen tot de holocaust zie vooral: Jürgen Zimmerer, From Windhoek to Auschwitz. On the Relationship Between Colonialism and the Holocaust (Abingdon, 2019).

[43] Sibylle Scheipers, ‘Counterinsurgency or Irregular Warfare? Historiography and the Study of ‘Small Wars’’, Small Wars & Insurgencies Vol. 25, No. 5/6 (2014) 879-99.

[44] Thijs Brocades Zaalberg, ‘The forbidden Nazi metaphor: Dutch soldiers’ reflections on role reversal between Nazi occupation and imperial reconquest of Indonesia, 1945-1949’, International History Review (forthcoming 2026). 

[45] Azarja Harmanny en Brian Linn, ‘‘The Normal Order of Things? Contextualizing ‘Technical Violence’ in the Netherlands-Indonesia War”, in: Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis, ‘Beyond the League Table of Barbarity. Comparing Extreme Violence during the Wars of Decolonization’, in: idem (red.), Empire’s Violent End. Comparing Dutch, British and French Wars of Decolonization, 1945-1962 (Ithaca, 2022).

[46] Alex Kay, ‘More Prussian than the Prussian’? Battlefield Prisoner Killing by British and Canadian Forces on the Western Front, 1914-1918, in: Transactions of the Royal Historical Society (2025) 1-27;  Kay concludeerde dat een op de vier soldaten in de frontlinie dergelijke moorden vermeldde in persoonlijke verslagen. Dat liep op tot drie op de vier voor elite-eenheden.

[47] Overigens kenden veel koloniale oorlogen een cruciale, met burgeroorlog verweven dimensie. Vaak werden etnische of religieuze breuklijnen geïnstrumentaliseerd door de koloniale macht. Ook van burgeroorlogen is vaak beweerd dat ze inherent gewelddadiger zouden zijn, iets wat de Griekse politiek wetenschapper Stathis Kalyvas in zijn sleutelwerk The Logic of Violence in Civil War (Cambridge, 2006) overigens bestrijd.

[48] Voor de ‘mix tussen militaire en genocidale logica’ zie genocide-expert Dirk Moses in: Kasper van Laarhoven, Eva Peek en Derk Walters, ‘Zeven gerenommeerde wetenschappers vrijwel eensgezind: Israël pleegt in Gaza genocide’, NRC, 14 mei 2025.

[49] Met dank aan Stef Scagliola, die dit punt in een gesprek onlangs nog eens helder onder woorden bracht.

[50] Ook bij ons recente grote Indonesië-onderzoek zijn militaire egodocumenten vooral ondersteunend gebruikt en te weinig leidend geweest bij deelprojecten.

[51] Timothy Snyder en anderen hebben bijvoorbeeld ook de Oekraïne-oorlog een koloniale oorlog genoemd van het moderne ‘Russian Empire’. Het onderdrukken van een andere bevolkingsgroep, ontkennen van hun identiteit en zelfbeschikkingsrecht zijn alle kenmerken van vreemde overheersing die lijken op kolonialisme.

Over de auteur(s)

Prof. dr. Thijs Brocades Zaalberg

Thijs Brocades Zaalberg is bijzonder hoogleraar Militaire Geschiedenis aan de Universiteit Leiden en universitair hoofddocent aan de Nederlandse Defensie Academie.