De toegenomen dreiging van een grootschalig conflict aan de NAVO-oostflank vraagt om meer dan alleen materiële en operationele gereedheid. Ook voor de morele component van gevechtskracht is aandacht nodig, juist omdat zulke operaties vaak gepaard gaan met complexe beslissingen onder hoge druk, in situaties waarin juridische en morele grenzen kunnen vervagen. Recente wetenschappelijke inzichten laten zien dat politieke besluitvorming en strategische communicatie een rol spelen in het ontstaan van morele verwonding onder militairen. Mandaten, middelen, en de manier waarop missies worden geframed en gelegitimeerd beïnvloeden hoe militairen hun handelen moreel beleven. Dit artikel verkent hoe de morele component van gevechtskracht zich verhoudt tot politieke besluitvorming, en waarom het anticiperen op morele dilemma’s geen uitvoeringsvraagstuk alleen is, maar ook een strategische verantwoordelijkheid.
De term ‘morele verwonding’ (moral injury) verwijst naar het innerlijke conflict dat ontstaat wanneer iemand, vaak in een operationele context, betrokken raakt bij, getuige is van, of slachtoffer wordt van handelingen die fundamenteel botsen met het eigen moreel kompas. Hoewel dit concept aanvankelijk vooral als een individueel, psychologisch fenomeen werd beschouwd, tonen recente wetenschappelijke inzichten aan dat morele verwonding ook sterk bepaald wordt door de institutionele, politieke en culturele context.[1]

13 Lichte Brigade oefent in Litouwen. De toegenomen dreiging aan de NAVO-oostflank vraagt naast materiële en operationele gereedheid om aandacht voor de morele component van gevechtskracht. Foto MCD, Gerben van Es
In militaire missies spelen politieke besluitvorming en de manier waarop over operaties wordt gecommuniceerd een grote rol in de werkelijkheid waarin militairen moeten opereren. Hun beleving wordt niet alleen gevormd door wat ze meemaken, maar ook door tegenstrijdige opdrachten, beperkte middelen, vage mandaten, of gebrek aan politieke steun.[2] Politiek en strategie zijn dus niet alleen achtergrondruis, maar kunnen direct bijdragen aan situaties waarin militairen moreel belastende keuzes moeten maken.[3]
De mythe van de apolitieke militair
Veel militairen ervaren hun werk initieel als apolitiek: ze zijn opgeleid tot uitvoerders van beleid, geen beoordelaars ervan. ‘Mijn werk heeft niets met politiek te maken’, is een veelgehoorde uitspraak onder veteranen.[4] Maar dat is een contradictie. De militair is, per definitie, een verlengstuk van het politieke systeem. Juist daarom draagt het politieke domein morele medeverantwoordelijkheid voor wat militairen in het veld, op zee, of in de lucht meemaken. Wanneer zij operaties moeten uitvoeren met onhaalbare of onduidelijke doelstellingen, of onder overambitieuze, vage of cosmetisch geframede mandaten, ontstaat een voedingsbodem voor morele verwonding.[5]
Dat bleek onder meer uit de Nederlandse ervaringen in Uruzgan, Afghanistan. Met name tijdens de aanvankelijke politieke besluitvorming werden de wederopbouwaspecten van de missie benadrukt, zonder uitgebreid in te gaan op de mogelijke intensiteit en frequentie van geweldsincidenten. Tijdens de missie bleef deze beeldvorming bestaan, terwijl de harde realiteit, vuurgevechten en IED-aanslagen die veel impact hadden op de vechtende militairen, werd afgezwakt. Deze discrepantie tussen politieke framing en operationele werkelijkheid leidde bij sommige militairen tot gevoelens van zinloosheid, verraad en schuld, bijvoorbeeld wanneer zij machteloos moesten toekijken bij lokaal geweld, in gevaarlijke situaties belandden zonder de mogelijkheden of toestemming om in te grijpen, of na thuiskomst hoorden dat het publieke debat vooral gericht was op wederopbouw zonder dat men wist van de vuurgevechten die hadden plaatsgevonden.[6]
De dilemma’s die militairen meemaken zijn dus niet enkel het gevolg van de operationele situatie ter plaatse. Ze worden mede bepaald door de politieke opdracht die zij hebben gekregen, de middelen die wel of niet beschikbaar zijn gesteld, de beperkingen van het mandaat waaronder zij opereren en het politieke debat dat wordt gevoerd.
Wanneer een militair wordt uitgezonden met een onuitvoerbare opdracht of een onrealistisch mandaat, kan dat leiden tot moreel verwondende ervaringen. Naast de directe morele schade die ontstaat door wat er tijdens de missie gebeurt, kan er ook een tweede laag van morele verwonding ontstaan. Die vloeit voort uit het gevoel dat de staat, namens wie de militair handelt, de vertrouwensrelatie heeft geschonden. Deze ervaren politieke nalatigheid wordt dan beleefd als een vorm van verraad.
Veel militairen komen dan ook later tot het besef dat hun werk wel degelijk een cruciale politiek-maatschappelijke component heeft.[7] Veteranen die problemen ontwikkelen stellen vaak zelfs: ‘De helft van mijn problemen ligt in de uitzending, de andere helft hier in Nederland.’[8]
Nieuwe dreigingen, oude vragen: de morele implicaties van hoofdtaak 1
Dit vraagstuk is binnen de recente strategische verschuiving richting hoofdtaak 1, het voorbereiden op grootschalige gevechtsoperaties ter verdediging van het eigen grondgebied of dat van bondgenoten, extra relevant. In deze verschuiving keren westerse krijgsmachten terug naar het klassieke domein van high-intensity conflict, waarbij kinetisch optreden en gewapende confrontaties met een gelijkwaardige tegenstander centraal staan, naast de ontwikkeling van de hybride kant van oorlogvoering.
De focus op opschaling van fysieke gevechtskracht is operationeel en geopolitiek begrijpelijk, maar ook in dit soort operaties blijft het risico op morele verwonding onverminderd groot. In deze context verschuift de nadruk van complexe stabilisatie-operaties naar grootschalige en directe gevechtssituaties, waarin beslissingen onder extreme druk genomen moeten worden. De morele grijstinten verdwijnen daarbij niet, maar worden lastiger te navigeren. Het gevaar ontstaat dat deze complexiteit onder druk wordt gereduceerd tot zwart-witkeuzes, en dat ethische reflectie wordt overschaduwd door operationele doelmatigheid.
De missie in Afghanistan liet een discrepantie zien tussen de politieke framing rond wederopbouw en de harde realiteit van de operationele werkelijkheid met vuurgevechten en IED-aanslagen. Foto MCD, Hille Hillinga
Hoewel hoofdtaak 1-missies doorgaans een helderder politiek mandaat kennen dan stabilisatie- of vredesmissies, betekent dit dus niet dat morele dilemma’s verdwijnen. Juist bij collectieve verdediging kunnen politieke keuzes over proportionaliteit, escalatie, en de communicatie daarover richting het publiek tot morele spanningen leiden op de werkvloer.
Het is daarom cruciaal om op strategisch niveau vooruit te denken over de morele implicaties van hoofdtaak 1-missies. In Oekraïne worden burgers actief betrokken bij het verzamelen van inlichtingen over vijandelijke posities, bijvoorbeeld door het doorgeven van locatiegegevens via mobiele telefoons. Daarmee vervagen de grenzen tussen combattanten en non-combattanten, met aanzienlijke juridische en morele risico’s tot gevolg — zowel voor de burgers zelf als voor de militairen die opereren binnen deze grijze zones.[9] Indien militairen opereren in een context waarin burgerdeelname wordt gestimuleerd of getolereerd, kunnen zij moreel belast worden door de implicaties van dit beleid. Zij kunnen ervaren dat ze onbedoeld bijdragen aan het in gevaar brengen van burgers, of dat ze niet mogen optreden tegen burgerdoelen die toch een militaire functie hebben gekregen. Dergelijke spanningen kunnen gevoelens van schuld, frustratie of machteloosheid oproepen, kenmerkend voor morele verwonding.
In toekomstige hoofdtaak 1-scenario’s zal ook Nederland mogelijk met vergelijkbare vraagstukken worden geconfronteerd. Een stilzwijgende acceptatie van dergelijke burgerdeelname kan operationeel voordeel opleveren, maar roept tegelijkertijd fundamentele vragen op over de bescherming van burgers, de verantwoordelijkheid van militaire actoren en de legitimiteit van inzet.
Deze vragen vereisen tijdige en expliciete afweging op politiek en strategisch niveau. Als een weging van mogelijke morele dilemma’s ontbreekt in strategische missieplanning of mandaatformulering, groeit het risico dat militairen moreel grijs gebied betreden zonder richting of rugdekking, met blijvende mentale schade en vervreemding als mogelijk gevolg.
De morele component als fundament van militair vermogen
Tegen deze achtergrond verdient de ‘morele component van militair vermogen’ meer aandacht.[10] Deze component wordt vaak begrepen als iets wat zich afspeelt binnen militaire eenheden, zoals onderling vertrouwen, ‘command climate’ of veerkracht.[11] Maar die interne dimensie is slechts één aspect. Morele kracht berust ook op de legitimiteit van de opdracht zelf en op het vertrouwen dat militairen hebben in de keuzes van hun politieke en strategische leiding. De morele component is niet alleen een zaak van commandanten of uitvoerders, maar nadrukkelijk ook van politieke besluitvorming op het hoogste niveau.
Moreel handelen in een gevechtssituatie is niet slechts een kwestie van persoonlijke overtuigingen of groepscohesie, maar raakt aan fundamentele vragen over de legitimiteit van geweldstoepassing, cruciaal voor de gezondheid en integriteit van zowel de mens in het uniform als Defensie als geheel: waar vechten we voor? Voor welke waarden staan we?
Deze legitimiteit wordt mede bepaald door de mate waarin militairen vooraf zijn voorbereid op morele dilemma’s, en of de missie die zij uitvoeren wordt gedragen door een overtuigende morele, politieke en maatschappelijke rechtvaardiging, ofwel: de collectieve betekenis die aan het vechten wordt toegekend.[12] Het vraagt om een ethisch onderbouwd verhaal over waar Nederland voor staat, en waarom we bereid zijn dat, in laatste instantie, met geweld te verdedigen.
Strategisch-moreel leiderschap begint bij politieke keuzes
Het erkennen van de morele component betekent niet dat er extra richtlijnen of kaders moeten komen voor militairen op eenheidsniveau. Integendeel, het vraagt om iets wat nog nauwelijks onderkend wordt: strategisch-moreel leiderschap. Met deze term doel ik op het vermogen van politieke en strategische besluitvormers om hun keuzes systematisch te toetsen op morele haalbaarheid. Dat wil zeggen: is het binnen de beoogde missie, het mandaat en de beschikbare middelen mogelijk voor militairen om moreel verdedigbaar te handelen, zonder dat zij structureel worden geconfronteerd met opdrachten die in strijd zijn met hun geweten, professionele normen of fundamenteel rechtvaardigheidsgevoel?
Als we de morele component reduceren tot individuele veerkracht of leiderschap op eenheidsniveau, dreigen we de politieke en strategische verantwoordelijkheid te ontlopen om vanuit het hoogste niveau helderheid te bieden over de morele grondslag en consequenties van militaire inzet. De notie van strategisch-moreel leiderschap verdient expliciete verankering in het denken over militaire inzet: het is de ontbrekende schakel tussen politieke verantwoordelijkheid en individuele morele belasting.
Het voorkomen en mitigeren van morele verwonding vereist meer dan alleen psychologische nazorg of ethiektraining. Het vraagt om een institutionele cultuur waarin morele dilemma’s worden voorzien, besproken en erkend — vóór, tijdens en na inzet. En het vraagt dat politieke framing eerlijk is over de aard en risico’s van militaire operaties. Een goede strategisch-morele voorbereiding voorkomt dat militairen terugkeren van inzet met het gevoel dat hun ervaring geen plaats heeft in het publieke of politieke discours, een gevoel dat de basis vormt voor een ervaring van verraad door de organisatie en politiek.[13]

De morele component is niet alleen een zaak van commandanten of uitvoerders, maar nadrukkelijk ook van politieke besluitvorming op het hoogste niveau. Foto Rijksoverheid, Jeroen van der Meyde
De kwaliteit van politieke besluitvorming vormt de eerste verdedigingslinie tegen morele spanningen die voortkomen uit onduidelijke opdrachten, onrealistische politieke communicatie of een gebrek aan voorbereiding op ethische dilemma’s. Juist daarom is het ontwikkelen van strategisch-moreel bewustzijn op politiek niveau geen luxe, maar een strategische noodzaak om zo morele verwonding te voorkomen.
Conclusie: morele voorbereiding is essentieel voor strategisch succes
De verschuiving naar hoofdtaak 1 betekent dat het gebruik van geweld opnieuw nadrukkelijker centraal komt te staan in het denken over militaire inzet. Die ontwikkeling vereist niet alleen fysieke paraatheid, maar ook een hernieuwde bezinning op de morele dilemma’s die dit met zich meebrengt voor degenen die het geweld moeten toepassen.
Wie bereid is geweldsinstrumenten in te zetten, moet ook bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de morele impact daarvan op degenen die dit uitvoeren. Dat betekent: militairen niet alleen uitrusten met wapens en tactieken, maar ook met morele richting en rugdekking. In die zin is morele voorbereiding geen bijzaak of ethische luxe, maar een strategische randvoorwaarde: een noodzakelijke voorwaarde om militairen duurzaam, verantwoord en met draagvlak in te kunnen zetten.
Morele verwonding mag daarbij niet langer uitsluitend worden begrepen als een individueel of psychologisch probleem. Vaak is het juist een signaal dat er op politiek of strategisch niveau onvoldoende duidelijkheid, consistentie of legitimiteit is geboden, bijvoorbeeld door ambigue mandaten, tegenstrijdige verwachtingen of stilzwijgende aannames over wat moreel toelaatbaar is. Zulke onuitgesproken of onduidelijke kaders vormen politiek-institutionele ruis: ze maken het voor militairen moeilijk om moreel samenhangend en met vertrouwen te handelen.
Pas wanneer leiders op het politiek-strategische niveau erkennen dat hun beslissingen morele implicaties hebben voor de mensen die zij uitzenden, kan een duurzame en rechtvaardige omgang met gevechtskracht ontstaan. De ware kracht van een krijgsmacht schuilt immers niet alleen in vuurkracht, maar in de legitimiteit waarmee die wordt gebruikt.
[1] T. Molendijk, ‘The Role of Political Practices in Moral Injury: A Study of Afghanistan Veterans,’ Political Psychology 40 (2019) (2) 261–275; T. Molendijk et al., Handboek Moral Injury in Context. Een wetenschappelijke gids over morele verwonding voor de praktijk (Amsterdam, Boom, 2025).
[2] J. Shay, Achilles in Vietnam: Combat Trauma and the Undoing of Character (New York, Simon and Schuster, 1994) 20–21.
[3] J. Hollis, P. Hanna, en G. Perman, ‘Recontextualising Moral Injury Among Military Veterans: An Integrative Theoretical Review,’ Journal of Community & Applied Social Psychology 33 (2023) (1) 85–101.
[4] T. Molendijk, ‘The Role of Political Practices in Moral Injury: A Study of Afghanistan Veterans,’ Political Psychology 40 (2019) (2) 261–275.
[5] T. Molendijk et al., Handboek Moral Injury in Context. Een wetenschappelijke gids over morele verwonding voor de praktijk (Amsterdam, Boom, 2025); B.T. Litz et al., ‘Moral Injury and Moral Repair in War Veterans: A Preliminary Model and Intervention Strategy,’ Clinical Psychology Review 29 (2009) (8) 695–706.
[6] M. De Rond en J. Lok, ‘Some Things Can Never Be Unseen: The Role of Context in Psychological Injury at War,’ Academy of Management Journal 59 (2016) (6) 1965–1993.
[7] N. Gilhuis en T. Molendijk, ‘Navigating Moral Injury and the Search for Recognition: Dutch Peacekeeper Veterans Return to Lebanon,’ Armed Forces & Society 0 (2025) (0) 1-22.
[8] T. Molendijk, ‘The Role of Political Practices in Moral Injury: A Study of Afghanistan Veterans,’ Political Psychology 40 (2019) (2) 261–275.
[9] E. Bijl en M. Grandi, ‘Civilian Resistance in Ukraine’, PAX, 2025. Zie : https://protectionofcivilians.org/report/civilian-resistance-in-ukraine/.
[10] NATO Standardization Office, Allied Joint Doctrine for Land Operations (AJP-3.2), Edition B, Version 1, februari 2022. Zie: https://www.coemed.org/files/stanags/01_AJP/AJP-3.2_EDB_V1_E_2288.pdf.
[11] T. Sandman, ‘The Moral Component of Fighting: Bringing Society Back In,’ in: Mikael Weissmann en Niklas Nilsson (red.), Advanced Land Warfare: Tactics and Operations (Oxford, Oxford University Press, 2023) 193–214; K. van Loon, ‘Command Climate: een Exploratief Onderzoek,’ Militaire Spectator 194 (2025) (3) 162–172.
[12] Van Loon, ‘Command Climate: een Exploratief Onderzoek’.
[13] C. Smith en J. Freyd, ‘Institutional betrayal’, American Psychologist 69 (2014) (6).