Generaals voeren altijd de ‘vorige oorlog’. Toch is het belangrijk te kijken naar lessen van afgeronde conflicten. Toen vijfendertig jaar geleden ‘het woord aan de wapens’ was, zoals de redactie van de Militaire Spectator schreef in haar Editoriaal, stond de Golfoorlog van 1991 centraal in een themanummer.[1] Met name airpower kreeg veel aandacht: zou de luchtmacht toekomstige oorlogen beslechten?  

Na een wekenlange luchtcampagne verdreven grondtroepen in slechts vier dagen het Iraakse leger – toentertijd in omvang toch het vierde leger van de wereld – uit Koeweit. Zo’n eclatant militair succes nodigde uit tot het uitzoeken van lessons learned over het moderne militair optreden: ‘Nu het stof onderhand is neergedaald, is de tijd gekomen voor realistische analyses. Militaire tijdschriften zijn daarbij verzekerd van jaren kopij’, schreef commodore B.A.C. Droste.[2]

Om te bepalen of het Amerikaanse succes in de Golfoorlog een breekpunt betekende in oorlogvoering, voert Droste eerst een aantal historische voorbeelden op van technologische ontwikkelingen, zoals de uitvinding van het buskruit, mitrailleurs en de tank. ‘Hier komen wij meteen aan een interessante constatering’, stelt de commodore. ‘Alle opgesomde vindingen betroffen materiële verbeteringen. Een revolutie vindt echter pas plaats als die vindingen op niet-traditionele wijze worden gebruikt.’ Wat betreft de tank, die in de Eerste Wereldoorlog voor het eerst werd ingezet, maar toen nog vooral verspreid, zegt hij: ‘Het duurde tot de Tweede Wereldoorlog alvorens die les echt tot ons doordrong, en dat was uiteraard de pijnlijke les die Guderian ons heeft geleerd. Met een relatief bescheiden maar geconcentreerde tankmacht kon het gehele Franse leger op tragische wijze worden afgebluft.’ In tegenstelling tot de Fransen begrepen de Duitsers in 1940 hoe je een moderne oorlog moest voeren, aldus Droste.

Een revolutie in oorlogvoering vindt pas plaats als nieuwe vindingen, zoals tanks, op niet-traditionele wijze worden gebruikt. Foto Aloahwild

De commodore stipt vervolgens aan hoe militaire revoluties tot stand komen: ‘Dit voorbeeld toont overigens ook een breekpunt aan dat zich in de geschiedenis keer op keer herhaalt. Namelijk dat de tactiek — de manier waarop de middelen worden ingezet — zeker zo belangrijk is voor veranderingen als de nieuwe middelen zelf.’ Zo ook in de Golfoorlog. Het luchtwapen was niet nieuw, maar sommige technologieën wel: stealth en precisiewapens. Droste noemt echter vooral het vliegen bij nacht en het element van verrassing (Saddam Hoessein zou op dat moment geen aanval meer verwachten) als doorslaggevende factoren voor het succes van de luchtcampagne. Manifesteerde zich hier dan ook een breekpunt in de traditionele oorlogvoering? Droste: ‘Op basis van hetgeen ik heb ge schetst, ben ik geneigd ja te zeggen.’ Maar, waarschuwt hij, ‘Dat de Golfoorlog dan ook de “moeder” van alle volgende oorlogen zal zijn, daar moeten wij maar niet op rekenen.’ De luchtmachtgeneraal constateerde dat de Golfoorlog vooral blijk gaf van het belang van complementair optreden van de verschillende krijgsmachtdelen, het luchtwapen alleen is niet afdoende: ‘Afgezien van de onmisbare functie die de beslissende aanval van de grondstrijdkrachten op het uiteindelijke verloop van de oorlog heeft gehad, was de dreiging die van de fysieke aanwezigheid van land- en zeestrijdkrachten uitgaat absoluut noodzakelijk om de acties van de luchtstrijdkrachten tot rendement te brengen.’

Andere auteurs waren minder onder de indruk van Desert Storm, omdat het Amerikaanse optreden in de Golfoorlog een anomalie zou zijn: ‘Het relatief snelle verloop en de succesvolle beëindiging van de Golfoorlog moeten ten minste enkele analisten van Amerikaanse militaire operaties hebben verbaasd. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn immers de meeste Amerikaanse militaire operaties op een groot fiasco uitgelopen.’[3] De schrijver, H.G. Geveke, somt een ‘reeks van mislukkingen’ op en concludeert: ‘Het succes van de operatie Desert Storm lijkt eerder een uitzondering dan regel. De Amerikaanse krijgsmacht heeft de afgelopen veertig jaar een twijfelachtige reputatie van een falende en ineffectieve organisatie opgebouwd.’

Op de ‘Highway of Doom’ liet het luchtwapen zijn verwoestende kracht zien. Foto NARA

Zonder dieper op de Golfoorlog in te gaan, onderzoekt Geveke de vraag waarom ‘veel militaire operaties op een fiasco uitlopen’? Hij probeert daartoe ‘faalfactoren bij militaire operaties te achterhalen.’ Die faalfactoren volgen een hiërarchie die loopt van het individu, via de groep naar de militaire organisatie. Daarboven spelen faalfactoren op interorganisationeel niveau (waaronder rivaliteit tussen krijgsmachtdelen) en op het niveau van het maatschappelijk systeem (bijvoorbeeld de invloed van de publieke opinie).

Geveke voegt aan deze indeling ‘contingentiefactoren’ toe (bijvoorbeeld geografische of weersomstandigheden) en institutionele factoren, namelijk wanneer ‘kenmerken van de militaire organisatie een structureel disfunctioneren tot gevolg hebben. Institutionele factoren kunnen bovendien verhinderen dat andere condities als potentiële faalfactoren worden onderkend.’ Een te groot officierskorps is zo’n institutionele faalfactor, volgens Geveke, want dat ‘leidt voorts tot diffuse gezags- en verantwoordelijkheidspatronen’, met als gevolg dat men bij falen de schuld geeft aan ‘het systeem’ in plaats van individuele verantwoordelijkheid te nemen. Een te hoge mate van rotatie is ook niet goed: ‘Een chronisch instabiel officierskorps kan niet leren van eigen fouten, heeft geen institutioneel geheugen, kent de manschappen niet, verliest het zicht op de gevechtscapaciteiten van de krijgsmacht en verkleint daarmee de combat readiness.’

Na zijn wat zure analyse over militaire fiasco’s merkt Geveke op dat velen een optimistischere blik op de toekomst zullen hebben, mede door het succes van de campagne tegen Saddam Hoesseins Irak in 1991. ‘Toch kan, mijns inziens, een meer negatief gerichte toekomstverkenning geen kwaad; al was het maar als een tegendraads geluid te midden van alle euforie over de technologisch hoogstaande en internationaal samenwerkende capaciteiten van de militaire organisatie naar aanleiding van het succes van Desert Storm.’

 

[1] Redactie, ‘Pearl Harbor en de Golfoorlog’, Militaire Spectator 160 (1991) (12).

[2] B.A.C. Droste, ‘De Golfoorlog. Breekpunt in de traditionele oorlogvoering?’, Militaire Spectator 160 (1991) (12).

[3] H.G. Geveke, ‘Militaire fiasco’s, incompetentie en mislukkingen. Een analyse van faalfactoren bij militaire operaties’, Militaire Spectator 160 (1991) (8).

Over de auteur(s)