Kortgeleden was ik in Japan. Het was helaas niet het seizoen van de kersenbloesem, maar het was evenzeer onvergetelijk om Hiroshima in de sneeuw te zien, wat ook in de winter uitzonderlijk is. Met de sneeuwvlokken kwam een verstilling over het Vredespark die de ervaring verdiepte om daar te zijn en te herdenken wat Litlle Boy er tachtig jaar geleden had aangericht.

Little Boy noemden de Amerikanen de uraniumbom die zij op 6 augustus 1945 afwierpen boven Hiroshima. Drie dagen later viel de plutoniumbom waarvoor de naam Fat Man was bedacht op Nagasaki. Nu er een oorlog is ontbrand rond de nucleaire faciliteiten van Iran gaan mijn gedachten steeds terug naar die twee steden waar ik begin dit jaar was, de enige ter wereld die een nucleaire aanval hebben doorgemaakt.

Het is indrukwekkend hoe Hiroshima en Nagasaki zich na de apocalyps hebben ontwikkeld als plekken waar vandaan de mensheid wordt gewaarschuwd tegen kernwapens. Stedelijke bestuurders reizen de wereld over met hun vredelievende boodschap. Hoogbejaarde slachtoffers getuigen op allerlei conferenties waar de machtigen der aarde samenkomen. Bezoekers van de herdenkingsparken zoals ik nemen iets van die missie mee terug naar huis.

In de musea van de parken is een deel van de tentoonstellingsruimte ingeruimd voor de geschiedenis van de naoorlogse beweging die de kernwapens wil inperken. Het hoogtepunt daarvan is natuurlijk het Non-proliferatieverdrag (NPV) dat in 1968 is gesloten en inmiddels door 191 landen is geratificeerd. Dit verdrag bepaalt dat kernwapens beperkt blijven tot de vijf landen die er in 1968 al over beschikten: de Verenigde Staten, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China. De andere landen hebben beloofd geen kernwapens te ontwikkelen. Hun staat vrij om kernenergie op te wekken voor civiele doeleinden onder toezicht van het Internationaal Atoomenergieagentschap. Terwijl ik in het museum in Nagasaki langs de panelen liep met het succesverhaal van de non-proliferatie bedacht ik me dat er evengoed panelen te maken zouden zijn met een parallelle geschiedenis, een gelijktijdige tegenbeweging, die van de proliferatie. Er zijn namelijk landen die het NPV hebben ondertekend en heimelijk toch kernwapens proberen te ontwikkelen. Iran is er daar een van.

Een Iraanse oppositiegroep onthulde in 2002 het bestaan van geheime nucleaire faciliteiten in Iran. Sindsdien krijgt het land sancties te verduren. In 2015 sloten de vijf erkende kernmogendheden een deal met Iran. In ruil voor de opheffing van de sancties liet Iran hiermee zijn nucleaire programma beteugelen. Onder leiding van president Donald Trump is de VS in 2018 echter uit dit akkoord gestapt en heeft weer sancties ingesteld. Iran, dat zo langzamerhand aan de grond is gebracht door de langdurige sancties, was al weken in onderhandeling met de Amerikanen, toen de VS samen met Israël afgelopen 28 februari het land plotseling aanviel.

Het is natuurlijk altijd de vraag of een militaire oplossing noodzakelijk is, maar voor het roekeloze optreden van Trump en de Israëlische premier Benjamin Netanyahu zijn andere, minder edele motieven te bedenken dan het streven de verspreiding van kernwapens tegen te gaan. Ook wat de inzet van de atoombom tegen Japan betreft, is er discussie over de motieven, een discussie die vragen oproept over de noodzakelijkheid van de inzet. De dag dat Fat Man werd afgeworpen boven Nagasaki sprak president Harry Truman de Amerikaanse bevolking toe op de radio. In die toespraak zei hij dat met het gebruik van de atoombom de oorlog werd verkort om zo ‘de levens van duizenden en duizenden jonge Amerikanen te redden’. In de herdenkingsmusea van Hiroshima en Nagasaki worden op de informatiebordjes nog twee andere argumenten genoemd: ten eerste de Sovjet-Unie de pas afsnijden. Deze zou immers bij een conventionele overmeestering van Japan haar invloedssfeer verder hebben kunnen uitbreiden, net als dat in Oost-Europa is gebeurd. En ten tweede de legitimering van de enorme kosten waarmee de ontwikkeling van de atoombom gemoeid was geweest. In het museum van Nagasaki was op een paneel te lezen dat het Manhattan Project meer had gekost dan alle Japanse staatsuitgaven van 1945.

Beide musea schenken ook aandacht aan de gewetensbezwaren van de wetenschappers die de atoombom hadden ontwikkeld. Velen van hen drongen erop aan dat Japan eerst een waarschuwing zou krijgen dat de VS dit allesvernietigende wapen tot zijn beschikking had. Op die manier zou de VS Japan de kans geven te capituleren zonder dat het wapen zou hoeven worden ingezet. Dat Truman niet voor een waarschuwing voelde, maakt het meespelen van de andere motieven aannemelijk.

In de Amerikaanse militaire musea waar de B-29-bommenwerpers tentoongesteld staan die de atoombommen hebben afgeworpen, houdt men het bij het klassieke motief. De Enola Gay die de bom op Hiroshima wierp staat in het National Air and Space Museum in Washington D.C. Hier staat kort vermeld hoeveel slachtoffers de bom veroorzaakte, maar  dat de bom ook veel slachtoffers voorkwam die zowel aan Amerikaanse als Japanse zijde zouden zijn gevallen als de strijd om Japan nog was doorgegaan. In het National Museum of the United States Air Force in Dayton, Ohio, waar zowel de Bockscar als een replica van de Fat Man die hij afwierp, staan tentoongesteld, viel mij bij een bezoek twee jaar geleden al op hoe karig beide werden toegelicht.

In 1994 ontstond er een rel over het ontwerp van een tentoonstelling in het museum in Washington ter herdenking dat het vijftig jaar geleden was dat de Enola Gay de Little Boy op Hiroshima had geworpen. In het ontwerp werd vastgesteld dat de oorlog tegen Japan fundamenteel verschilde van die tegen Duitsland en Italië; tegen Japan vochten de Amerikanen uit wraak. Er stak een storm van protest op. Veteranen vonden het ook beledigend dat Japanse getuigenissen en foto’s van slachtoffers deel uit zouden maken van de tentoonstelling. Het museum werd in de pers een ‘unpatriotic institution’ genoemd. Onder druk van veteranenorganisaties en Congresleden werd de tentoonstelling aangepast. De vakorganisatie van Amerikaanse historici veroordeelde dit als een openlijke poging de eigen geschiedenis wit te wassen.

In de herdenkingsmusea in Hiroshima en Nagasaki hangen wel veel foto’s van slachtoffers. In Hiroshima is de tentoonstelling opgebouwd aan de hand van getuigenissen van overlevenden. In Nagasaki wordt het verhaal van de vernietiging verteld, beginnend bij het allesverzengende centrum van de explosie en eindigend bij de mensen die op latere leeftijd alsnog aan stralingsziekte overlijden. De meeste indruk op mij maakte een foto die in Nagasaki hing. Het is een foto van de Amerikaanse legerfotograaf Joe O’Donnell. Als 23-jarige documenteerde hij in het geheim de verwoesting van Hirosjima en Nagasaki. De foto’s bewaarde hij vijftig jaar in een koffer zonder er met iemand over te spreken. Op de bewuste foto staat een jongen – niet ouder dan tien jaar – met op zijn rug zijn dode broertje. In een interview vertelde O’Donnell dat de jongen bij het crematorium stond te wachten op zijn beurt om het lijkje af te geven. Mannen met witte maskers namen de baby van zijn rug en plaatsten deze voorzichtig in het vuur, wat een sissend geluid maakte. Het vuur lichtte op met een rode gloed, zo rood als het bloed op de onderlip van de jongen, die stil en kaarsrecht stond toe te kijken, maar daarbij heel hard op zijn lip beet. Ik stond daar te kijken naar de jongen en voelde een diep menselijk verlangen in mij opkomen: nooit meer Nagasaki. Nooit meer oorlog.

En inmiddels is weer een nieuwe oorlog ontbrand.

Over de auteur(s)

Dr. R. (Pien) van der Hoeven

Dr. R. (Pien) van der Hoeven is historicus en mediaspecialist.