Het is tijd. Het lokaal stroomt leeg, maar twee studentes blijven achter en komen naar me toe. Ik heb net een inleidend college gegeven over media en oorlog, het thema van de cursus. Vandaag ging het vooral over de Golfoorlog van 1991. Toen deze oorlog woedde, was ik zo oud als de studenten die ik vanmiddag voor me heb gehad. Ik herinner me de opwinding van toen nog als de dag van gisteren: met mijn studievrienden keek ik dag en nacht naar de televisie. Het was voor het eerst in de geschiedenis dat een oorlog live te volgen was. Dankzij de nieuwe kabeltechnologie kon CNN onafgebroken uitzenden. De onlangs overleden oorlogscorrespondent Peter Arnett stond bijna permanent op het dak van zijn hotel in Bagdad om het laatste nieuws toe te lichten voor de camera. Als televisiekijkers vlogen we met op raketten gemonteerde camera’s mee naar doelwitten in Bagdad. We zagen de oevers van de Tigris oplichten met het bombardementsvuur. We dachten dat we de oorlog meemaakten, maar niets was minder waar. Wat wij zagen was wat het Pentagon wilde dat de media aan het publiek lieten zien: spectaculaire beelden waarachter de gruwelijke werkelijkheid schuilging.

Vanmiddag heb ik mijn studenten van die werkelijkheid proberen te doordringen. Ik heb verteld hoe tienduizenden Iraakse dienstplichtigen door de grootste geallieerde vuurmacht ooit vanuit de lucht werden verkoold in de woestijn. Aan geallieerde zijde vielen slechts 22 militairen door vijandelijk toedoen. Tegenover de high tech-krijgsmachten van de coalitie stond een houtje-touwtje leger van huisvaders en zonen, die op oude schoenen naar het front waren gestuurd. Vandaar dat de Engelse mediawetenschapper Richard Keeble de Golfoorlog geen oorlog noemt, maar het consequent over de ‘Gulf massacres’ heeft. Van deze slachtingen was vrijwel niets te zien in de media. Mijn studievrienden en ik – en alle kijkers van CNN – kregen geen enkele dode te zien.

Ik heb de studenten van nu in kort bestek uitgelegd hoe dat mogelijk was. De Golfoorlog was een strak geregisseerd mediaspektakel. Slechts een select aantal journalisten van grote nieuwsorganisaties mocht mee in een door militairen geëscorteerde pool. Ze mochten niet zelf bepalen waar ze naartoe gingen en konden zich niet buiten de pool begeven. In feite hielden de pools de journalisten weg van het slagveld. De journalisten moesten hun product voorafgaand aan publicatie of uitzending ter inzage voorleggen aan de militaire autoriteiten. Officieel betrof dit alleen een security review, maar dat bleek in de praktijk een rekbaar begrip. Hoewel de oorlog voornamelijk uit de lucht werd gevoerd, kregen de journalisten geen toegang tot vliegtuigen. Vandaar dat er nauwelijks beeldmateriaal beschikbaar kwam dat afweek van de ‘Pentavision’, de videobeelden die door het Pentagon gratis aan de media ter beschikking werden gesteld.

Natuurlijk waren er ook uitzonderingen en ook die heb ik vanmiddag gedeeld met de studenten. In het bijzonder heb ik stilgestaan bij de foto van Kenneth Jarecke. Deze fotograaf van Time Magazine had toegang tot een pool gekregen. Tot de nacht van 26 op 27 februari 1991, toen de Iraakse troepen zich terugtrokken uit Koeweit langs de snelweg richting Basra, hadden hij en zijn poolgenoten niets van de oorlogvoering gezien. Vlak voor het staakt-het-vuren kregen ze hun begeleidende officier zover om het konvooi waarin ze reden te verlaten en vast naar Koeweit-stad op te trekken. Toen stuitten zij op een deel van de snelweg waar vluchtende Iraakse troepen door Apache-helikopters ondanks de Amerikaanse verzekering van een vrije aftocht onder vuur waren genomen. Honderden Iraakse soldaten waren hierbij gedood. Onder zwak protest van de persofficier maakte Jarecke hier een foto van een Irakees die precies op het moment dat hij uit zijn tank wilde klimmen, verkoold was. De roetzwarte figuur met holle ogen in het verkoolde gezicht was nog zo herkenbaar menselijk, dat het een indrukwekkende foto opleverde. Een beeld ook dat het lot weergaf van de tienduizenden gebombardeerde Iraakse soldaten. De fotorol van Jarecke hoefde niet meer langs de militaire censuur, aangezien het-staakt-het-vuren net was ingegaan. Desondanks werd de foto niet in Time gepubliceerd. Het argument van de hoofdredactie was: ‘Time is een familietijdschrift’. De foto verscheen wel in The Observer onder de kop ‘The real face of war’.

Dit alles is net aan bod gekomen tijdens het college en nu kijk ik naar de twee studentes die voor me staan. ‘Kunt u voortaan waarschuwen als u zo’n foto laat zien?’ vraagt een van hen. ‘Ik kon me na die dia niet meer concentreren.’ Ze kijkt me aan met een blik die het midden houdt tussen verontwaardiging en verdriet. ‘Mijn vader is vorig jaar overleden. We hebben hem gecremeerd.’ Ik denk aan de verkoolde man op de foto en begrijp de associatie. Ik condoleer haar. Ik zie de tranen in haar ogen, terwijl ze verwijtend vervolgt: ‘Als u had gewaarschuwd, had ik kunnen wegkijken. Nu heb ik na de foto niks meer van het college meegekregen.’ Ik ben van mijn stuk gebracht. Ik hoor mezelf zeggen dat het me spijt, dat ik er nooit over heb nagedacht, maar dat het misschien inderdaad een goed idee is om voortaan te waarschuwen voordat ik de dia vertoon.

‘Die foto voegt toch niks toe’, vervolgt ze verwijtend. Daar wil ik toch wat tegenin brengen. ‘De man op de foto heeft ook een familie achtergelaten die om hem rouwt. Dat is juist het perspectief dat ik wil laten zien, de realiteit van de oorlog die niet werd getoond.’ Maar ze is niet overtuigd: ‘Dat weet ik ook allemaal zonder dat ik die beelden heb gezien. Nee, die foto dient nergens toe.’

Mijn dochter, ook een student, die ik van het gesprek vertel, adviseert me laconiek: ‘Je moet gewoon even een TW afgeven.’ ‘Pardon? Een wat?’ ‘Een trigger warning.’ Juist. Ja, zo gaat dat tegenwoordig, denk ik nog enigszins verbolgen. Wat denk je dan dat je te zien krijgt bij een vak dat ‘Media en Oorlog’ heet? Lammetjes die in de wei huppelen? En hoe moet ik dit rijmen met alle weerbaarheidscampagnes die gaande zijn? Of word je juist weerbaarder als je je ontwikkelt in een veilige omgeving?

Bij de individuele feedback later in de cursus komt de studente er tot mijn verbazing op terug. Ze kijkt me verwachtingsvol aan: ‘Heeft u er nog over nagedacht?’ ‘Zeker’, zeg ik. ‘Toen ik zo oud was als jij, zou ik nooit naar de docent zijn gegaan. Dit soort emoties hield je bij jezelf. Maar het is mooi dat we nu in een tijd leven waarin we meer rekening met elkaar houden.’ We praten verder. Ze ziet nu wel in dat de foto geen overbodige toevoeging was, maar de kern van mijn betoog raakte. Toch bijzonder zo’n uitwisseling tussen student en docent tegenwoordig. Van niemand leer je zoveel als van je studenten.

Over de auteur(s)

Dr. R. (Pien) van der Hoeven

Dr. R. (Pien) van der Hoeven is historicus en mediaspecialist.